22 februari 2013 Eerste Kamer 12/01273 EE/LZ Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van:
- [Eiseres 1], wonende te [woonplaats],
- [Eiser 2], wonende te [woonplaats], EISERS tot cassatie, advocaat: mr. R.Th.R.F. Carli, t e g e n
- [Verweerster 1], wonende te [woonplaats], Duitsland,
- [Verweerster 2], wonende te [woonplaats],
- [Verweerster 3], wonende te [woonplaats],
- [Verweerster 4], wonende te [woonplaats], VERWEERSTERS in cassatie, advocaat: mr. D.M. de Knijff. Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als eisers tot cassatie en verweersters in cassatie.
- Het geding in feitelijke instanties Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken: a. de vonnissen in de zaak 288546/HA ZA 07-1825 van de rechtbank 's-Gravenhage van 24 september 2008 en 6 mei 2009; b. het arrest in de zaak 200.047.494/01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 13 september
- Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
- Het geding in cassatie Tegen het arrest van het hof hebben eisers tot cassatie beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Verweersters in cassatie hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten. De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van eisers tot cassatie in hun cassatieberoep. De advocaat van eisers tot cassatie heeft bij brief van 6 december 2012 op die conclusie gereageerd.
- Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep 3.1 De inmiddels overleden ouders van partijen hebben in 1987 een chalet te Zwitserland aan partijen geschonken. In de hoofdzaak vorderen verweersters in cassatie verdeling van het chalet. Eisers tot cassatie hebben door middel van een incident een exceptie van onbevoegdheid opgeworpen, inhoudende dat niet de Nederlandse rechter maar de Zwitserse rechter rechtsmacht heeft. De rechtbank heeft de vordering in het incident afgewezen. In hun daartegen gerichte hoger beroep zijn eisers tot cassatie niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat zij weliswaar binnen de beroepstermijn een verzoek tot openstelling van tussentijds appel hebben gedaan, maar dat zij het beroep niet binnen de beroepstermijn hebben ingesteld. Hiertegen komen eisers tot cassatie op. 3.2 Het in cassatie bestreden arrest is een tussenarrest, nu het dictum ervan niet een beslissing inhoudt die ten opzichte van (een van) de betrokken partijen is aan te merken als een beslissing waarmee aan het geding omtrent enig deel van het gevorderde een einde wordt gemaakt. Van dit tussenarrest is tussentijds cassatieberoep ingevolge art. 401a lid 2 Rv uitgesloten, tenzij de rechter anders heeft bepaald. Van dat laatste is niet gebleken, zodat eisers tot cassatie niet-ontvankelijk zijn in hun cassatieberoep.
- Beslissing De Hoge Raad: verklaart eisers tot cassatie niet-ontvankelijk in hun beroep; veroordeelt eisers tot cassatie in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van verweersters in cassatie begroot op € 373,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris. Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.A. Streefkerk, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 22 februari 2013.
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.