← Nederland

ECLI:NL:HR:2013:BZ2864

3 mei 2013 Eerste Kamer 12/00509 RM/LZ Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: MARTINAIR HOLLAND N.V., gevestigd te Haarlemmermeer, EISERES tot cassatie, advocaat: mr. K.G.W. van Oven, t e g e n 1. [Verweerster 1], 2. [Verweerder 2], beiden wonende te [woonplaats], VERWEERDERS in cassatie, niet verschenen. Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Martinair en [verweerder] c.s. 1. Het geding Voor het verloop van het geding tot dusver verwijst de Hoge Raad naar zijn tussenarrest van 15 juni 2012, LJN BW9929. Martinair heeft, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, afgezien van een nadere schriftelijke toelichting. De aanvullende conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot verwerping van het beroep. De advocaat van Martinair heeft bij brief van 14 maart 2013 op die conclusie gereageerd. 2. Beoordeling van het middel 2.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. (

  1. i)[Verweerder] c.s. - hierna ook: de passagiers - hebben bij Martinair een vlucht (met vluchtnummer MP 646) van Miami naar Amsterdam (Schiphol) geboekt. Op basis van de overeenkomst tussen partijen zou Martinair de passagiers op 31 januari 2009 om 20.00 uur lokale tijd vanuit Miami per vliegtuig vervoeren. (
  2. ii)Vlucht MP 646 heeft een vertraging van 3 uur en 30 minuten opgelopen in verband met een 'weight and balance' probleem. (iii) De passagiers hebben op de vluchthaven van Miami een voucher ter waarde van USD 12 ontvangen. 2.2 De passagiers vorderen in dit geding betaling van, in hoofdsom, € 600 per passagier op grond van de compensatieregeling, bedoeld in art. 6 en 7 van de Verordening (EG) nr. 261/2004 inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten - hierna: de Verordening - wegens de hiervoor in 3.1 onder (iii)bedoelde vertraging, die meer dan drie uren belopen heeft. 2.3 De kantonrechter heeft, zich conformerend aan een uitspraak van het gerechtshof te Amsterdam, die zich op zijn beurt richtte naar het 'Sturgeon-arrest' van het HvJEU (vermeld in rov. 3.2 van het tussenarrest), geoordeeld dat de in art. 7 van de Verordening bedoelde compensatie voor passagiers van geannuleerde vluchten ook verschuldigd is aan passagiers die tijdverlies door een vertraging van drie uren of meer hebben geleden. 2.4.1 Martinair bestrijdt het vonnis van de kantonrechter met een uit twee onderdelen bestaand middel. Onderdeel 1 klaagt dat de kantonrechter, door te weigeren prejudiciële vragen aan het HvJEU te stellen, althans zijn uitspraak aan te houden in afwachting van een vijftal in het middel vermelde prejudiciële procedures die betrekking hebben op de uitleg van de Verordening op het in het geding zijnde punt, heeft gehandeld in strijd met een fundamentele verplichting van Unierecht. 2.4.2 In het midden kan blijven of deze klacht afstuit op het bepaalde in art. 80 lid 1 RO op de grond dat deze niet kan worden beoordeeld zonder daarin de juistheid van de rechtsopvattingen van de kantonrechter te betrekken ter zake van de noodzaak tot het stellen van prejudiciële vragen of tot een zodanige aanhouding. Het onderdeel kan bij gebrek aan belang in elk geval niet tot cassatie leiden, nu het HvJEU inmiddels, bij arrest van 23 oktober 2012, LJN BY2173, NJ 2013/4, uitspraak heeft gedaan in de in het tussenarrest van de Hoge Raad van 15 juni 2012 bedoelde gevoegde zaken C-581/10 en C-629/10. 2.5.1 Onderdeel 2 betoogt dat het bestreden vonnis niet de in art. 80 lid 1 onder a RO bedoelde gronden bevat doordat de kantonrechter in het geheel niet is ingegaan op het verweer van Martinair dat, nu sprake is geweest van een vertraging van minder dan vier uur, de compensatie moet worden verlaagd met 50%. Een dergelijke klacht valt onder art. 80 lid 1, aanhef en onder a, RO. 2.5.2 Hoewel de klacht in zoverre gegrond is dat de kantonrechter dit verweer in zijn oordeel had behoren te betrekken, kan zij bij gebrek aan belang niet tot vernietiging leiden, aangezien de kantonrechter het verweer slechts had kunnen verwerpen. Het door Martinair ingeroepen art. 7 lid 2, aanhef en onder c, van de Verordening biedt de luchtvaartmaatschappij immers slechts dan de mogelijkheid de in lid 1 bedoelde compensatiebedragen te halveren indien de passagiers een andere vlucht naar hun eindbestemming wordt aangeboden. Nu ten processe vaststaat dat de passagiers met de oorspronkelijke, zij het vertraagde, vlucht (MP 646) naar Nederland zijn teruggekeerd, mist het bedoelde voorschrift toepassing. 3. Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het beroep; veroordeelt Martinair in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] c.s. begroot op nihil. Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter, de vice-president F.B. Bakels en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, C.E. Drion en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 3 mei 2013.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.