ECLI:NL:HR:2013:BZ5346
21 juni 2013 Eerste Kamer 12/01882 LZ Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van:
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als De Molensteen, [verweerster 2] en [verweerder 1].
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
De conclusie van de Advocaat-Generaal A. Hammerstein strekt tot verwerping.
De Molensteen heeft met [verweerster 2] afspraken gemaakt over het gebruik van de boerderij en de percelen. In een geschil over die afspraken heeft de pachtkamer van het gerechtshof Arnhem bij arrest van 2 maart 2004 bepaald dat tussen De Molensteen en [verweerster 2] een pachtovereenkomst bestaat die eindigt op 30 juni 2011. (ii) De Molensteen heeft bij pachtovereenkomst van 22 maart 2001 aan [verweerder 1] gronden verpacht. [Verweerder 1] is directeur van [verweerster 2]. (iii) Bij exploot van 30 maart 2009 heeft De Molensteen beide pachtovereenkomsten tegen 30 juni 2011 opgezegd. Zij heeft de opzegging gebaseerd op (a) de in art. 7:370 lid 1, aanhef en onder a, BW genoemde grond dat de bedrijfsvoering door [verweerder 1], respectievelijk [verweerster 2] niet is geweest zoals een goed pachter betaamt en [verweerder 1], respectievelijk [verweerster 2] anderszins ernstig is tekortgeschoten, en (b) de in art. 7:370 lid 1, aanhef en onder c, BW genoemde grond dat een redelijke afweging van de wederzijdse belangen in het voordeel van De Molensteen uitvalt.
3.2 De Molensteen vordert in de onderhavige procedures tegen [verweerster 2] en [verweerder 1], die door de pachtkamer van de rechtbank afzonderlijk en door de pachtkamer van het hof gevoegd zijn behandeld, het tijdstip vast te stellen waarop de pachtovereenkomsten zullen eindigen.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het beroep op de opzeggingsgrond, hiervoor in 3.1 onder (iii) genoemd onder a, niet slaagt, maar dat het beroep op de daar onder b genoemde grond wel opgaat. De rechtbank heeft bepaald dat de pachtovereenkomsten zullen eindigen op 30 juni 2011.
Het hof heeft de vonnissen van de rechtbank vernietigd en de vorderingen van De Molensteen tegen [verweerster 2] en [verweerder 1] afgewezen. Daartoe heeft het hof onder meer als volgt overwogen. De Molensteen heeft in hoger beroep aangevoerd dat [verweerster 2] en [verweerder 1] op de bij uitstek als weidegrond geschikte pachtgronden akkerbouwgewassen hebben geteeld. Dit verwijt, dat redelijkerwijs niet kan worden beschouwd als een uitwerking van het reeds in de opzegging gebezigde verwijt, moet buiten beschouwing blijven omdat de verpachter ingevolge art. 7:369 lid 2 BW slechts op de gronden vermeld in de opzegging kan vorderen dat de rechter het tijdstip zal vaststellen waarop de overeenkomst zal eindigen. Dit voorschrift strekt ertoe dat de pachter aan de hand van de in de opzegging vermelde grond(en) moet kunnen bepalen of hij in de opzegging wil berusten, dan wel het op een procedure wil laten aankomen. (rov. 3.3) De opzegging op grond van art. 7:370 lid 1, aanhef en onder a, BW kan dus niet leiden tot toewijzing van de vordering van De Molensteen. (rov. 3.4) 3.3 Onderdeel I van het middel klaagt dat het hof art. 7:369 lid 2 BW te restrictief heeft uitgelegd door kennelijk aan te nemen dat de opzeggingsgronden reeds in de opzeggingsbrief nader en tot in detail dienen te worden uitgewerkt. Het onderdeel wijst erop dat de opzeggingsgrond van art. 7:370, lid 1, aanhef en onder a, BW op de laatste bladzijde van de opzegging van 30 maart 2009 is genoemd en dat de desbetreffende alinea eindigt met de zinsnede: "Voorts heeft de pachter zich niet in zijn bedrijfsvoering als een goed pachter gedragen". Door te beslissen dat het verwijt over het telen van akkerbouwgewassen op weidegronden niet kan worden geschaard onder de door De Molensteen in de opzegging van 30 maart 2009 gebezigde opzeggingsgrond, stelt het hof volgens het onderdeel meer eisen dan de wettelijke en door De Molensteen nageleefde eis dat de gronden in de opzegging worden vermeld.
3.4 Onderdeel I neemt terecht tot uitgangspunt dat volgens art. 7:369 lid 2 BW slechts op de gronden vermeld in de opzegging kan worden gevorderd dat de rechter het tijdstip zal vaststellen waarop de overeenkomst zal eindigen.
3.5 Art. 7:369 lid 2 BW strekt samen met art. 7:368 BW, waarin is bepaald dat de opzegging op straffe van nietigheid de gronden dient te vermelden die tot de opzegging hebben geleid, ertoe dat de pachter aan de hand van de in de opzegging vermelde gronden kan bepalen of hij in de opzegging wil berusten, dan wel het op een procedure wil laten aankomen (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 6.2).
3.6 Gezien deze strekking en de enkele vermelding in de opzegging van 30 maart 2009 dat de pachter zich in zijn bedrijfsvoering niet als een goed pachter heeft gedragen, is het oordeel van het hof dat De Molensteen haar beroep op de opzeggingsgrond van art. 7:370 lid 1, aanhef en onder a, BW niet in de procedure op de voet van art. 7:369 lid 2 BW kan aanvullen met het verwijt dat de pachter akkerbouwgewassen heeft geteeld op bij uitstek als weidegronden geschikte pachtgronden, onjuist noch onbegrijpelijk. Het behoefde ook geen nadere motivering.
3.7 De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.E. Drion en G. de Groot, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 21 juni 2013.