← Nederland

ECLI:NL:HR:2014:1017

25 april 2014 Eerste Kamer nr. 14/00748 LZ/EE Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [betrokkene],wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, advocaat: mr. G.E.M. Later, t e g e n DE OFFICIER VAN JUSTITIE in het arrondissement Zeeland-West-Brabant,zetelende te Middelburg, VERWEERDER in cassatie, niet verschenen. Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als betrokkene en de officier van Justitie. 1Het geding in feitelijke instantie Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak 272141/BZ RK 13-6610 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 6 november 2013. De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht. 2Het geding in cassatie Tegen de beschikking van de rechtbank heeft betrokkene beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend. De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant. 3Beoordeling van het middel 3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. (

  1. i)De officier van justitie heeft de rechtbank op 31 oktober 2013 verzocht op de voet van art. 2 Wet Bopz een voorlopige machtiging te verlenen tot opname en verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis. (
  2. ii)De rechtbank heeft het verzoek behandeld op 4 en 6 november 2013. Daarbij was betrokkene niet aanwezig. Wel aanwezig waren de advocaat van betrokkene, de sociaal-psychiatrisch verpleegkundige, en een verpleegkundig specialist in opleiding. 3.2 De rechtbank heeft de voorlopige machtiging verleend voor de duur van zes maanden. 3.3 Onderdeel II klaagt dat de rechtbank in strijd met art. 8 Wet Bopz de verzochte machtiging heeft verleend zonder dat betrokkene door de rechtbank is gehoord. Het onderdeel voert aan dat de rechtbank niet heeft vastgesteld dat betrokkene niet gehoord wilde worden. 3.4 Ingevolge art. 8 lid 1 Wet Bopz dient de rechter, alvorens op het verzoek tot het verlenen van een voorlopige machtiging te beslissen, degene ten aanzien van wie de machtiging is verzocht, te horen, tenzij de rechter vaststelt dat betrokkene niet bereid is zich te doen horen. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad dient de rechter die van oordeel is dat deze bereidheid ontbrak, dit met zoveel woorden in zijn beschikking vast te stellen en de gronden aan te geven waarop dat oordeel berust (vgl. HR 14 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2283, NJ 1997/378). 3.5 De rechtbank heeft in haar beschikking niet vastgesteld dat betrokkene niet bereid was zich te doen horen en heeft derhalve ook niet de gronden vermeld waarop dat oordeel berust. Het onderdeel is gegrond. De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling. 4Beslissing De Hoge Raad: vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 6 november 2013; verwijst de zaak naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing. Deze beschikking is gegeven door de raadsheren C.A. Streefkerk, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 25 april 2014.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.