8 juli 2014 Strafkamer nr. 13/02439 en 13/02441 P Arrest op het beroep in cassatie (zaaknummer 13/02439) tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 29 maart 2013, nummer 21/002477-12, in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]
- en op het beroep in cassatie (zaaknummer 13/02441 P) tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 29 maart 2013, nummer 21/002477-13, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van: [betrokkene] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]
- 1Geding in cassatie Het beroep is in beide zaken ingesteld door de verdachte onderscheidenlijk de betrokkene. Namens deze heeft mr. N. van Schaik, advocaat te Utrecht, een schriftuur ingediend houdende een middel van cassatie. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft in beide zaken geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de veroordeelde in het beroep. De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.
- Beoordeling van de ontvankelijkheid van het ingestelde beroep in de strafzaak en in de ontnemingszaak 2.
- De door de raadsman ingediende schriftuur vermeldt in de aanhef het nummer waaronder de met deze strafzaak samenhangende ontnemingszaak bij de Hoge Raad in behandeling is (13/02441P) en het nummer van het arrest van het Hof van 29 maart 2013 in die ontnemingszaak (21/002477-13). Het bij schriftuur voorgestelde middel heeft evenwel onmiskenbaar (uitsluitend) betrekking op in de strafzaak ten laste van de verdachte genomen beslissingen. Op grond daarvan moet worden aangenomen dat de raadsman in de schriftuur abusievelijk de zaaknummers van de ontnemingszaak heeft vermeld, maar heeft beoogd een middel van cassatie in te dienen in de strafzaak tegen de verdachte en niet in de met die zaak samenhangende ontnemingszaak. De Hoge Raad merkt die schriftuur daarom aan als houdende een middel van cassatie tegen het arrest van het Hof van 23 maart 2013, met nummer 21/002477-12, in de strafzaak tegen de verdachte. Dit betekent dat nu de verdachte in deze strafzaak, die bij de Hoge Raad in behandeling is onder nummer 13/02439, binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, de verdachte dient te worden ontvangen in het beroep. 2.
- Het voorgaande leidt tot de conclusie dat in de met de strafzaak samenhangende ontnemingszaak, die bij de Hoge Raad in behandeling is onder nummer 13/02441P, namens de betrokkene geen schriftuur houdende middelen van cassatie is ingediend. Nu niet in acht is genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, in verbinding met art. 511h Sv, kan de betrokkene in het beroep in die zaak niet worden ontvangen. 3Beoordeling van het middel in de strafzaak Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 4Beslissing De Hoge Raad: verklaart in de zaak met nummer 13/02441 P de betrokkene niet-ontvankelijk in het beroep; verwerpt in de zaak met nummer 13/02439 het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 juli 2014.