30 september 2014 Strafkamer nr. 13/02526 Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 2 mei 2013, nummer 23/000539-12, in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988. 1Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. B.P. de Boer en mr. D.N. de Jonge, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige. 2. Beoordeling van het eerste middel 2.1. Het middel klaagt dat het Hof heeft verzuimd een beslissing te nemen op het verzoek om [betrokkene 1] als getuige te horen. 2.2.1. Namens de verdachte is op 2 februari 2012 hoger beroep ingesteld. Op 6 februari 2012 heeft de toenmalige raadsman van de verdachte op de voet van art. 410, derde lid, Sv bij appelschriftuur verzocht de personen te horen die in die schriftuur zijn aangeduid zoals in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 5 sub (iii) is weergegeven. In een faxbericht van 10 oktober 2012 aan de Advocaat-Generaal bij het Hof heeft de opvolgende raadsman van de verdachte verzocht in totaal vijftien personen, onder wie [betrokkene 1], in die brief aangeduid met nummer 13, als getuigen te horen. 2.2.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 25 oktober 2012 houdt het volgende in: "Onderzoekswensen [verdachte] De raadsman voert het woord en doet dit aan de hand van zijn pleitnotities, die door hem aan het hof worden overgelegd en waarvan de inhoud als hier ingevoegd geldt. (...) Het hof beslist in de zaak [verdachte] dat: - het verzoek om de volgende getuigen, aangeduid onder de nummers 2 tot en met 8, 12 en 13 in de aanvullende brief inhoudende onderzoekswensen van 10 oktober 2012, te doen oproepen wordt toegewezen: * [betrokkene 2] (...); * [betrokkene 3] (...); * [betrokkene 4] (...); * [betrokkene 5] (...); * [betrokkene 6] (...); * [betrokkene 7] (...); * [betrokkene 8] (...); * [betrokkene 9] (...); - het verzoek om de medeverdachte [medeverdachte 2] als getuige te doen oproepen, wordt toegewezen; - dat de overige medeverdachten [betrokkene 10] en [medeverdachte 1] ambtshalve als getuigen opgeroepen zullen worden; - de resultaten van het Rijksrechercheonderzoek en de onderbouwing daarvan gerelateerd aan de tenlastelegging aan het dossier zullen worden toegevoegd; - het verzoek van de raadsman om de bij het Rijksrechercheonderzoek betrokken verbalisanten, aangeduid in zijn aanvullende appelschriftuur van 10 oktober 2012 onder 9 tot met 11, te doen oproepen, wordt afgewezen, nu door het voegen in het dossier van de resultaten van het Rijksrechercheonderzoek in voldoende mate aan het verdedigingsbelang tegemoet wordt gekomen. (...) Het hof verwijst de zaken primair naar de vaste raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit gerechtshof, voor het horen van de getuigen toegewezen in de zaak [verdachte] en voor het horen van alle vier verdachten. Subsidiair verwijst het hof de zaken (met instemming van de advocaat-generaal en de verdediging) naar een van de leden van de behandelende strafkamer in de hoedanigheid van gedelegeerd raadsheer-commissaris voor het horen van voornoemde getuigen. Het hof verwijst de zaken meer subsidiair naar de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Amsterdam, indien de raadsheer-commissaris voornoemd daartoe termen aanwezig acht. De stukken worden hiertoe in handen gesteld van de vaste raadsheer-commissaris." 2.3. In aanmerking genomen dat blijkens het hiervoor weergegeven proces-verbaal het Hof het verzoek van de verdediging om de persoon die in de brief van 10 oktober 2012 met nummer 13 is aangeduid heeft toegewezen, en dat proces-verbaal niet inhoudt dat het verzoek tot het horen van [betrokkene 1] als getuige wordt afgewezen, is aannemelijk dat het Hof heeft geoordeeld dat [betrokkene 1] (de in genoemde brief met nummer 13 aangeduide persoon) als getuige moet worden gehoord, maar dat abusievelijk is verzuimd hem te vermelden bij de opsomming van de namen van de te horen personen. Aannemelijk is voorts dat als gevolg van dat verzuim [betrokkene 1] niet is opgeroepen om door de Raadsheer-Commissaris als getuige te worden gehoord. 2.4. Het antwoord op de vraag of het Hof op het verzoek [betrokkene 1] als getuige te horen een beslissing heeft gegeven, kan evenwel in het midden blijven. Zowel in het geval dat in het proces-verbaal van de terechtzitting van 25 oktober 2012 moet worden gelezen dat het Hof een (toewijzende) beslissing heeft genomen op het verzoek [betrokkene 1] als getuige te doen horen, als in het geval dat het Hof op de terechtzitting van 25 oktober 2012 niet op dat verzoek heeft beslist, geldt het volgende. 2.5. Het arrest HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, houdt omtrent de beoordeling van cassatieklachten over beslissingen inzake verzoeken tot het oproepen en horen van getuigen onder meer het volgende in: "2.73. In de cassatieprocedure gaat het niet meer om het al dan niet oproepen of horen van getuigen maar uitsluitend om de toetsing van de beslissingen van de feitenrechter dienaangaande. In cassatie kan door de verdediging daarom alleen worden geklaagd over (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.