← Nederland

ECLI:NL:HR:2014:382

18 februari 2014 Strafkamer nr. 13/00157 Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 13 maart 2012, nummer 22/005955-10, in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]

  1. 1Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. P.H.L.M. Souren, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover het Hof het vonnis van de Rechtbank ter zake van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel heeft bevestigd, tot vernietiging in zoverre van het vonnis van de Rechtbank en tot verwerping van het beroep voor het overige. 2Beoordeling van het middel 2.
  2. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte de vordering van de benadeelde partij heeft toegewezen. 2.
  3. Het door het Hof in zoverre bevestigde vonnis van de Rechtbank houdt onder het opschrift '
  4. De beslissing' het volgende in: "De rechtbank (...) wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [A] BV, (...) een bedrag van € 2.428,78 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 15 juli 2010 tot de dag der algehele voldoening; veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken; legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 2.428,78 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van ontstaan van de schade, te weten 15 juli 2010 tot de dag der algehele voldoening, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [A] BV; bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 34 dagen; bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen; (...)" 2.
  5. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 28 februari 2012 houdt het volgende in: "De voorzitter deelt mede dat de blijkens een op 31 januari 2011 ingekomen schrijven van de benadeelde partij de reeds eerder opgegeven financiële schade ad. € 2.428,78 geheel door de verzekering is vergoed en dat deze vordering derhalve in hoger beroep niet meer aan de orde is." 2.
  6. Aangezien het Hof blijkens het voorgaande heeft vastgesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet meer aan de orde is, moet worden aangenomen dat het bestreden arrest een misslag bevat voor zover het dictum de bevestiging inhoudt van de beslissingen van de Rechtbank met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij en de kennelijk in samenhang daarmee opgelegde schadevergoedingsmaatregel. Het middel klaagt hierover terecht. De Hoge Raad zal de zaak om doelmatigheidsredenen zelf afdoen. 3Slotsom Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist. 4Beslissing De Hoge Raad: vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend voor zover het Hof het vonnis van de Rechtbank heeft bevestigd ten aanzien van de navolgende beslissingen: "wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [A] BV, [a-straat 1] te [plaats], een bedrag van € 2.428,78 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 15 juli 2010 tot de dag der algehele voldoening; veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken; legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 2.428,78 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van ontstaan van de schade, te weten 15 juli 2010 tot de dag der algehele voldoening, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [A] BV; bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 34 dagen; bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;" vernietigt het vonnis van de Rechtbank in zoverre; verwerpt het beroep voor het overige. Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 februari 2014.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.