11 maart 2014 Strafkamer nr. 12/04154 P Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 12 april 2012, nummer 22/005396-11, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van: [betrokkene] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979. 1Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen. 2. Beoordeling van het middel 2.1. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte slechts een gedeelte van de in rechte toegekende vorderingen van de benadeelde partijen tot vergoeding van de geleden materiële schade in mindering heeft gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel. 2.2. De bestreden uitspraak houdt het volgende in: "I. Schatting wederrechtelijk verkregen voordeel. Blijkens het in de strafzaak gewezen vonnis van 15 november 2011 heeft de veroordeelde samen met anderen op 10 juni 2011 een kluis met inhoud gestolen. Blijkens de verklaring van medeveroordeelde [medeveroordeelde] (in het bijzonder 01.V1.03 blz 6-7), afgelegd d.d. 26 juli 2011, is de op 10 juni 2011 gestolen kluis door hem tezamen met de veroordeelde en een derde persoon, opengebroken. In de kluis bevond zich een bedrag van € 40.000,- in contanten. [medeveroordeelde] heeft verklaard dat hij een bedrag van € 10.000,- heeft ontvangen en dat de veroordeelde en de derde persoon ieder € 15.000,- hebben gekregen. De rechtbank heeft blijkens voornoemd strafvonnis de vorderingen van de benadeelde partijen, tot een bedrag van € 8.700,-, respectievelijk € 2.797,92, ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde toegewezen. Overeenkomstig het gestelde in artikel 36e, zesde lid van het Wetboek van Strafrecht, dienen bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk voordeel wordt geschat, de in rechte toegekende vorderingen aan benadeelde derden in mindering te worden gebracht. Het bedrag van € 8.700,-, is blijkens het voegingsformulier opgebouwd uit € 2.700,- aan immateriële kosten en € 6.000,- aan materiële kosten, waarvan € 4.000,-, is gespecificeerd als "geld" en € 2.000,-, zonder omschrijving. Het bedrag van € 2.797,92, is opgebouwd uit € 2.700,-, immateriële kosten en € 97,92, aan materiële kosten, zijnde reiskosten. Het vonnis van de rechtbank Dordrecht is onherroepelijk. Gelet op het bovengenoemde is de materiële schade, gespecificeerd als "geld", tot een bedrag van € 4.000,-, schade waar tegenover een corresponderend voordeel staat, en dient dit bedrag derhalve op het genoten voordeel in mindering te worden gebracht. II. Vaststelling van de betalingsverplichting Voorts blijkt uit het ten grondslag liggende strafvonnis dat de veroordeelde als medepleger is veroordeeld. Blijkens de verklaring van [medeveroordeelde] heeft hij € 10.000,-, ontvangen, de veroordeelde € 15.000,- en de onbekend gebleven derde eveneens € 15.000,-. Het hof komt aldus tot de navolgende berekening van het totale wederrechtelijk verkregen voordeel: Inhoud kluis: € 40.000,- -/- Vordering benadeelde partij: € 4.000,- Totaal: € 36.000,- [medeveroordeelde] heeft 25% van het bedrag ontvangen, de veroordeelde en de derde onbekend gebleven persoon hebben samen 75 % van het bedrag ontvangen. € 36.000,- x (0,75:2) = € 13.500,- Het hof zal de veroordeelde de verplichting opleggen laatstgenoemd bedrag aan de Staat te betalen." 2.3. Tot de aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding behoren: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.