gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 11 februari 2014, nrs. BK-13/00426 en BK‑13/00427, op het hoger beroep van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) en de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. AWB 12/7555 IB/PVV) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2010 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 1Geding in cassatie De Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit. De Staatssecretaris heeft schriftelijk zijn zienswijze omtrent het incidentele beroep naar voren gebracht. De Staatssecretaris heeft in het principale beroep een conclusie van repliek ingediend. Belanghebbende heeft in het principale beroep een conclusie van dupliek en in het incidentele beroep een conclusie van repliek ingediend. De waarnemend Advocaat-Generaal A. Hammerstein heeft op 17 december 2014 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het principale beroep in cassatie en gegrondverklaring van het incidentele beroep in cassatie. Zowel de Staatssecretaris als belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd. Belanghebbende heeft tevens een aanvullende reactie gestuurd binnen de gestelde termijn. 2Uitgangspunten in cassatie 2.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. 2.1.1. Belanghebbende heeft in 1997 een onroerende zaak te [Q] gekocht voor (omgerekend:) € 444.705. De onroerende zaak bestaat uit een benedenwoning, die door belanghebbende zelf wordt bewoond, en een bovenwoning, die ten tijde van de aankoop was verhuurd. De onroerende zaak is in 1998 gesplitst in twee appartementsrechten, te weten de benedenwoning en de bovenwoning. 2.1.2. De huurster van de bovenwoning betaalde in het jaar 2010 een brutohuur van € 6246,84 op jaarbasis. Zij heeft recht op huurbescherming in de zin van afdeling 5 van titel 4 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Belanghebbende kan de huur niet aanpassen aan marktconforme prijzen. De huur valt onder het regime van voor de liberalisering. De huur mag jaarlijks maximaal worden geïndexeerd met een in de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte vastgesteld percentage. 2.1.3. Voor de berekening van de rendementsgrondslag is de waarde van de bovenwoning op grond van artikel 5.20, lid 3, Wet IB 2001 gesteld op de voor het kalenderjaar vastgestelde waarde volgens hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) vermenigvuldigd met de in artikel 17a, lid 2, Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 (hierna: UBIB 2001) opgenomen leegwaarderatio. 2.1.4. De WOZ-waarde van de bovenwoning is voor het kalenderjaar 2010 uiteindelijk vastgesteld op € 623.000. De WOZ-waarde vermenigvuldigd met de leegwaarderatio als bedoeld hiervoor in 2.1.3 bedraagt € 373.800 (60 percent van € 623.000). Ter zake van de bovenwoning is belanghebbende voor het jaar 2010 een bedrag aan inkomstenbelasting verschuldigd van € 4485 (30 percent van 4 percent van € 373.800). 2.1.5. De aan de bovenwoning toe te rekenen kosten belopen, exclusief financieringskosten, volgens het hogerberoepschrift van belanghebbende voor het jaar 2010 in totaal € 2741. 2.1.6. Op verzoek van belanghebbende heeft een taxateur een taxatierapport opgesteld voor de bovenwoning. In dat taxatierapport wordt de waarde per juli 2010 bepaald op € 585.000 vrij van huur en op € 285.000 in verhuurde staat. De economische huurwaarde van de bovenwoning bedraagt volgens het rapport € 1750 per maand. 2.1.7. In het taxatierapport dat in opdracht van de Belastingdienst [Q] door een rijkstaxateur is opgemaakt, is de waarde van de bovenwoning per 1 januari 2010 bepaald op € 562.000 vrij van huur en op € 274.000 in verhuurde staat. De economische huurwaarde van de bovenwoning bedraagt volgens dit taxatierapport € 1500 per maand. 2.2.1. Voor het Hof was in geschil of de met ingang van 1 januari 2010 ingevoerde regeling in artikel 5.20, lid 3, Wet IB 2001 en de uitvoering daarvan in artikel 17a UBIB 2001 in het geval van belanghebbende leiden tot een belastingheffing die in strijd is met
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.