26 mei 2015 Strafkamer nr. 14/00674 Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 3 december 2013, nummer 23/001831-13, in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981. 1Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. S. Kubicz, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan. 2Beoordeling van het middel 2.1. Het middel klaagt dat het Hof de verdachte ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, niet-ontvankelijk heeft verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep. 2.2. De verdachte is bij vonnis van de Politierechter van 20 juni 2012 bij verstek veroordeeld ter zake van diefstal. Tegen dit vonnis heeft de verdachte op 10 april 2013 hoger beroep in gesteld. 2.3.1. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de gemachtigd raadsvrouwe van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal van zitting gehechte pleitnotities. Deze houden in: "Zo op het eerste gezicht lijkt het hoger beroep niet-ontvankelijk te zijn, nu het te laat is ingesteld. Cliënt is immers op 20 juni 2012 veroordeeld en pas op 10 april 2013 is hoger beroep ingesteld. Bovendien blijkt uit het dossier dat de dagvaarding voor de zitting aan cliënt in persoon is uitgereikt. De verdediging stelt zich echter op het standpunt dat er sprake is van een verontschuldigbare termijnoverschrijding. Uit de aantekening mondeling vonnis blijkt dat cliënt in de onderhavige zaak bij verstek veroordeeld is en dat hij op dat moment uit andere hoofde gedetineerd was. Ik heb geen afstandsverklaring gezien waaruit blijkt dat cliënt niet bij de behandeling van zijn zaak aanwezig wilde zijn. Van medewerkers van de strafgriffie en het Ressortsparket begreep ik dat ook het Hof en de Advocaat Generaal niet over een dergelijke afstandsverklaring beschikken. Tevens werd mij medegedeeld dat er geen proces-verbaal van de zitting is uitgewerkt. Er kan dus niet worden vastgesteld dat mijn cliënt afstand heeft gedaan van zijn recht op aanwezig te zijn op de zitting van 20 juni 2012. Weliswaar heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 29 juli 2011 overwogen dat een rechter in beginsel geen verstek mag verlenen indien een gedetineerde verdachte niet is aangevoerd en ook geen afstandsverklaring heeft getekend. Dit laat echter onverlet dat van de verdachte mag worden verwacht dat hij zich tijdig op de hoogte stelt van de beslissing van de rechter en van het verdere verloop van zijn zaak opdat hij tijdig hoger beroep kan instellen. In die zaak kwam het Hof tot het oordeel dat de verdachte niet-ontvankelijk was in zijn hoger beroep, omdat niet was gebleken van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar deed zijn. De verdediging is van mening dat in het onderhavige geval wel sprake is van dergelijke bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar maken: (...) • Een andere bijzondere omstandigheid is de psychische problematiek van cliënt. Uit de rapportage van de PI De Tafelbergweg betreffende de tussentijdse toetsing van de ISD-maatregel blijkt dat cliënt zwakbegaafd is en dat hij last heeft van psychoses en angstaanvallen. Bestaan van psychiatrische problematiek blijkt ook uit het bijgevoegde reclasseringsrapport van 13 september 2012 (bijlage 4). Ook dit maakt de overschrijding van de termijn van instellen van hoger beroep in het geval van cliënt verontschuldigbaar. Gelet op al het voorgaande verzoek ik u cliënt ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, nu sprake is van bijzondere, cliënt niet toe te rekenen omstandigheden welke de overschrijding van de beroepstermijn verontschuldigbaar maken." 2.3.2. Blijkens hetzelfde proces-verbaal van de terechtzitting heeft de Advocaat-Generaal bij het Hof daarop als volgt gereageerd: "Het door de raadsvrouw verwoorde standpunt is goed onderbouwd en ik sluit me aan bij haar conclusie dat het appel weliswaar tardief is ingesteld, doch deze termijnoverschrijding is verontschuldigbaar." 2.3.3. Het Hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep en heeft daartoe het volgende overwogen: "De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte weliswaar te laat hoger beroep heeft ingesteld, maar dat deze termijnoverschrijding verontschuldigbaar is omdat de verdachte, ondanks dat hij geen afstand had gedaan van zijn recht bij de terechtzitting aanwezig te zijn, niet is aangevoerd en de verdachte in de periode na 20 juni 2012 psychische problemen had waardoor hij minder goed in staat was om zijn belangen te behartigen. Het hof is van oordeel dat het gegeven dat de verdachte geen afstand had gedaan van het recht bij de zitting aanwezig te zijn op zichzelf onverlet laat dat de beroepstermijn veertien dagen na 20 juni 2012 verstreek. Verder kan op basis van de enkele mededeling dat verdachte psychische problemen had niet worden aangenomen dat het te laat instellen van hoger beroep niet aan de verdachte kan worden toegerekend." 2.4. Bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken bevinden zich de door de raadsvrouwe genoemde rapportages, te weten: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.