25 september 2015 nr. 14/03674 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch van 19 juni 2014, nr. 13/00895, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. AWB 12/2960) betreffende de aan [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) over het jaar 2006 opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 1Geding in cassatie De Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit. De Staatssecretaris heeft schriftelijk zijn zienswijze omtrent het incidentele beroep naar voren gebracht. Belanghebbende heeft een aanvulling op zijn verweerschrift ingediend. Nu dit geschrift bij de Hoge Raad na afloop van de termijn voor het indienen van het verweerschrift is ingediend, slaat de Hoge Raad op dit stuk geen acht. 2Beoordeling van het in het principale beroep voorgestelde middel 2.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. 2.1.1. Belanghebbende heeft in 1999 tegen betaling van een bedrag van ƒ 855.000 de ondererfpacht van een onroerende zaak verkregen. De onroerende zaak bestond uit een restaurant, een aangebouwde bungalow, terras en parkeerplaatsen. Belanghebbende exploiteerde als ondernemer in de zin van de inkomstenbelasting het restaurant. Hij heeft de onroerende zaak geheel tot zijn ondernemingsvermogen gerekend en de volledige koopsom op de balans van zijn onderneming geactiveerd. 2.1.2. In 2003 is belanghebbende begonnen met het realiseren op de onroerende zaak van een appartementencomplex (hierna: het project). De uitgaven tot een bedrag van € 121.290 die hij met het oog daarop heeft gedaan – voorbereidingskosten en de aankoopprijs van het recht van ondererfpacht van een aangrenzende strook grond – heeft belanghebbende in zijn aangiften voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor de jaren 2003 en 2004 verantwoord als bezitting bij de berekening van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen. Ook in de aangifte voor het jaar 2006 was dit bedrag nog opgenomen als bezitting op 1 januari en op 31 december. Een voor de financiering van een en ander aangegane lening heeft belanghebbende bij het belastbare inkomen uit sparen en beleggen tot en met 1 januari 2006 als schuld in aanmerking genomen. 2.1.3. In 2006 heeft belanghebbende het project – bestaande uit 31 appartementsrechten, recht gevende op een aandeel in het recht van ondererfpacht – verkocht voor een bedrag van € 1.100.000. In zijn aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2006 heeft belanghebbende ter zake van die verkoop geen resultaat verantwoord. Wel is in de aangifte bij de winst uit onderneming een post ‘stortingen van kapitaal, vermogenssprong in boekjaar’ opgenomen tot een bedrag van € 1.046.279. 2.1.4. De Inspecteur heeft het bij de hiervoor in 2.1.3 bedoelde verkoop behaalde resultaat aangemerkt als behorend tot belanghebbendes winst uit onderneming en ter zake daarvan de onderhavige navorderingsaanslag opgelegd. 2.1.5. In zijn hogerberoepschrift heeft de Inspecteur het Hof verzocht [E] (hierna: [E]) op te roepen om als getuige ter zitting te verschijnen. Naar aanleiding van dit verzoek heeft de griffier van het Hof in de aan de Inspecteur verzonden uitnodiging voor de zitting vermeld dat hij, de Inspecteur, [E] zelf moet oproepen dan wel meenemen. De Inspecteur heeft [E] vervolgens opgeroepen om ter zitting te verschijnen. [E] is daar niet verschenen. 2.2.1. Voor het Hof was onder meer in geschil of de Inspecteur beschikte over een zogenoemd nieuw feit in de zin van artikel 16, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, en, zo nee, of belanghebbende te kwader trouw was in de zin van evenbedoelde bepaling. 2.2.2. Het Hof heeft geoordeeld dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.