← Nederland

ECLI:NL:HR:2015:2888

2 oktober 2015 Nr. 14/04079 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 22 juli 2014, nrs. BK-12/00548, 13/00246, 13/01696 tot en met 13/01704 en 14/00035 tot en met 14/00042, betreffende de door belanghebbende voor de kwartalen in de periode van 1 januari 2005 tot en met 30 september 2009 voldane bedragen aan vermakelijkheidsretributie aan de gemeente Amsterdam. 1Het eerste geding in cassatie De uitspraken van het Gerechtshof te Amsterdam zijn bij arresten van de Hoge Raad van 13 juli 2012, nr. 11/00163, ECLI:NL:HR:2012:BX0882 en 15 februari 2013, nr. 12/01813, ECLI:NL:HR:2013:BZ1298, BNB 2013/79, vernietigd met verwijzing naar het Gerechtshof Den Haag (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaken met inachtneming van die arresten. Het Hof heeft de uitspraken van de Rechtbank te Amsterdam betreffende: - de voldoening op aangifte voor de kwartalen in de periode 1 januari 2005 tot en met 31 maart 2007 (hierna: de eerste tranche) bevestigd; en - de voldoening op aangifte voor de kwartalen in de periode 1 april 2007 tot en met 30 september 2009 (hierna: de tweede tranche) vernietigd. 2Het tweede geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een middel voorgesteld. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: het College) heeft een verweerschrift ingediend. Het College heeft tevens (voorwaardelijk) incidenteel beroep in cassatie ingesteld. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. Zij heeft tevens haar zienswijze omtrent het incidentele beroep naar voren gebracht. Het College heeft in het incidentele beroep een conclusie van repliek ingediend. Belanghebbende heeft in het incidentele beroep een conclusie van dupliek ingediend. 3Beoordeling van het principale beroep in cassatie 3.

  1. Het middel klaagt terecht over het uitblijven van een beslissing op belanghebbendes verzoek om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. 3.
  2. Tot cassatie kan dit evenwel niet leiden. De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat de onderhavige procedure gelet op de ingewikkeldheid van de zaak binnen een redelijke termijn is behandeld. 3.
  3. Het middel kan voor het overige evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel voor het overige niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 4Beoordeling van de ontvankelijkheid van het incidentele beroep Aangezien het principale beroep niet tot vernietiging van ’s Hofs uitspraak leidt, is de voorwaarde waaronder het incidentele beroep is ingesteld, niet vervuld. Gelet op artikel 8:112, lid 2, Awb vervalt het incidentele beroep derhalve. 5Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. 6Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2015.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.