22 december 2015 Strafkamer nr. S 14/02537 A SB Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, van 10 december 2013, nummer H 187/2013, in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum]
(10)gulden en de losse munten in het kasregister zitten. Hij rende naar buiten. Ik moet verklaren dat bedoelde man een klant van ons is. Hij had anderhalf jaar geleden bij ons gesolliciteerd. Volgens mij is hij werkzaam als bewaker bij Jan Thiel Resort, omdat hij soms met een roze t-shirt met erop gedrukt "Jan Thiel Beach Security" komt. Als ik hem weer zie, herken ik hem direct. Een proces-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 13 april 2013 gesloten en getekend door [verbalisant 7] , brigadier bij het Korps Politie Curaçao, onder meer inhoudende, als verklaring van de getuige [getuige 4] , zakelijk weergegeven: Ik werk bij de Hollandse Bakkerij, in Curaçao. Heden, 12 april 2013, bevond ik mij aan mijn werk samen met mijn collega [betrokkene 2] . Ik zat op een bank in de hoek te eten. Op een gegeven moment zag ik een mij van aanzien bekende man binnen komen. Hij is mij bekend omdat hij altijd hier komt om iets te kopen. Normaliter heeft hij altijd een roze t-shirt aan, met "Jan Thiel Beach Security" er op afgedrukt. Hij liep deze keer direct achter de toonbank, naar mijn collega. Hij bedreigde haar met een mes. Hij eiste van haar om de kassa open te maken. Hij begon te schreeuwen en bedreigde [betrokkene 2] , waarna zij op de knop drukte om de kassa open te maken. De dader pakte alle bankbiljetten van Naf 100,- en Naf 50,- eruit. Vervolgens rende hij de bakkerij uit. Een proces-verbaal van fotoconfrontatie, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 18 april 2013 gesloten en getekend door [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , beiden brigadier bij het Korps Politie Curaçao, onder meer inhoudende, als verklaring van aangeefster [slachtoffer 5] , zakelijk weergegeven: Ik herken de man onder fotonummer 3 als dezelfde dader als waarover ik in mijn verklaring heb gesproken. Ik ken deze man heel goed. Hij is of was een vaste klant van ons. Sinds het gebeurde zie ik hem niet meer. Ik herken hem aan zijn gezicht. Gedurende het voorval droeg hij een pet, maar zijn gezicht was zichtbaar. Tevens had hij met mij gepraat tijdens het voorval en ik herkende zelf zijn stem ook. Opmerking verbalisant: fotonummer 3 betreft de verdachte, [verdachte] . Een proces-verbaal van fotoconfrontatie, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 18 april 2013 gesloten en getekend door [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , beiden brigadier bij het Korps Politie Curaçao, onder meer inhoudende, als verklaring van getuige [getuige 4] , zakelijk weergegeven: Ik herken de man onder fotonummer 1 als dezelfde dader die de beroving bij ons had gepleegd. Ik zag hem vanaf het moment dat hij de zaak binnen liep en herkende hem meteen. Dit gezien ik op dat moment op een bank in de hoek dichtbij de entree zat te eten. Ik herken hem aan zijn gezicht. Hij wist regelmatig inkopen hier te doen en droeg af en toe een rosekleurig T-shirt, met "Janthiel Beach Security" erop afgedrukt. Opmerking verbalisant: fotonummer 1 betreft de verdachte, [verdachte] . De verklaring van de verdachte, op 24 juli 2013 afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting, voorzover inhoudende, zakelijk weergegeven: Het klopt dat ik bij "Jan Thiel Beach Security" heb gewerkt." 2.3.
- Het vonnis van het GEA houdt voorts het volgende in: "Ten aanzien van feit 2 overweegt het Gerecht dat de herkenning van de verdachte door aangeefster wordt ondersteund door het feit dat bij deze overval dezelfde modus operandi is gehanteerd als bij de andere feiten. Deze modus operandi wordt gekenmerkt door het feit dat de overvaller een winkel binnengaat, zich door middel van het stellen van vragen of andere gedragingen voordoet als een klant en vervolgens een medewerker - telkens onder bedreiging van een steekwapen - dwingt om de kassa te openen." 2.3.
- Het vonnis van het Hof houdt voorts het volgende in: "Aanvulling van de overwegingen ten aanzien van het bewijs Ten aanzien van het tenlastegelegde feit 3 is door de verdediging betoogd dat het bewijs van de betrokkenheid van de verdachte slechts berust op de verklaring van één getuige, te weten die van aangeefster. Het Hof acht dit feit bewezen mede op grond van het feit dat bij deze overval dezelfde modus operandi is gebruikt als bij de overige feiten, welke erdoor wordt gekenmerkt dat de dader zich in de winkel eerst voordoet als een gewone klant, dan een steekwapen tevoorschijn haalt waarmee hij een personeelslid bedreigt en vervolgens (kas)geld wegneemt. Verder is deze overval gepleegd op een locatie die, hetgeen een feit van algemene plaatselijke bekendheid is, in dezelfde omgeving is gelegen als de plaatsen waar de andere overvallen zijn gepleegd en in welke de verdachte woonachtig is. (...)" 2.
- Het in deze zaak van toepassing zijnde derde lid van art. 385 Wetboek van Strafvordering van Curaçao (SvC) is gelijkluidend aan het tweede lid van art. 342 Sv. Volgens het tweede lid van art. 342 Sv - dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan - kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Bij de in cassatie aan te leggen toets of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, kan het van belang zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd (vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452, NJ 2010/515). Het vorenoverwogene geldt ook voor art. 385, derde lid, SvC. 2.
- Voor zover het middel betoogt dat de betrokkenheid van de verdachte bij de onder 2 en 3 bewezenverklaarde overvallen telkens uitsluitend steunt op de verklaringen van de aangeefsters van die overvallen, mist het feitelijke grondslag. Het Hof heeft in de bewijsmotivering van die overvallen ook betrokken dat de door de aangeefsters uiteengezette werkwijze van de dader op onderdelen een kenmerkende gelijkenis vertoont met de modus operandi van de onder 1, 4 en 5 bewezenverklaarde overvallen en dat de locatie waar het onder 3 bewezenverklaarde heeft plaatsgevonden, in dezelfde omgeving is gelegen als de plaatsen waar de andere overvallen zijn gepleegd en in welke de verdachte woonachtig is. Het oordeel van het Hof dat hierin voldoende steun is te vinden voor de verklaringen van de aangeefsters, is niet onbegrijpelijk. De bewezenverklaring is aldus toereikend gemotiveerd. 2.
- Het middel faalt in zoverre. 3Beoordeling van de middelen voor het overige De middelen kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 4Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van zes jaren. 5Slotsom Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 4 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist. 6Beslissing De Hoge Raad: vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf; vermindert deze in die zin dat deze vijf jaren en zes maanden beloopt; verwerpt het beroep voor het overige. Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman, H.A.G. Splinter-van Kan, Y. Buruma en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 december 2015.