13 januari 2015 Strafkamer nr. 14/02438 H Hoge Raad der Nederlanden Arrest op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 30 juni 2000, nummers 22/001446-99 en 22/001512-99, ingediend door mr. I.N. Weski, advocaat te Rotterdam, namens: [aanvrager] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1945. 1De uitspraak waarvan herziening is gevraagd 1.1. Het Hof heeft, met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank 's-Gravenhage van 16 juli 1999, de aanvrager ter zake van "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in art. 2, eerste lid, onder A van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot een gevangenisstraf van elf jaren. 1.2. De Hoge Raad heeft bij arrest van 23 oktober 2001 het tegen 's Hofs arrest ingestelde cassatieberoep verworpen. 2. De procesgang in herziening De aanvraag tot herziening en de aanvulling daarop zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit. 3De bewezenverklaring en de bewijsvoering 3.1. Bij de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd is door het Hof ten laste van de aanvrager bewezenverklaard: "dat hij op of omstreeks 9 september 1997, te Stellendam (gemeente Goedereede) en/of elders te Nederland tezamen en in vereniging met [betrokkene 1] en anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van ongeveer 474 kilogram (inclusief verpakkingsmateriaal) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel, vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I." 3.2. Het Hof heeft de bewezenverklaring mede doen steunen op een drietal verklaringen van de getuige [betrokkene 1], afgelegd tegenover de politie onderscheidenlijk ten overstaan van het Hof ter terechtzitting in hoger beroep. 3.3. Die verklaringen zijn blijkens 's Hofs uitspraak tot stand gekomen nadat [betrokkene 1] met de Staat der Nederlanden een op 19 maart 1999 door [betrokkene 1] en het Hoofd van het arrondissementsparket te Den Haag ondertekende overeenkomst had gesloten als bedoeld in de Richtlijn afspraken met criminelen (Stcrt. 1997, 61). Die overeenkomst hield, zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang, in dat [betrokkene 1] zich verplichtte tot het afleggen van (nadere) verklaringen omtrent de betrokkenheid van de aanvrager bij de handel in verdovende middelen, waartegenover het Openbaar Ministerie zich verbond tot inspanningen strekkende tot vermindering van een aan [betrokkene 1] ter zake van zijn aandeel in het zogenoemde Stellendamtransport opgelegde gevangenisstraf van acht jaren en tot het uitbrengen van een positief advies ten aanzien van door [betrokkene 1] in te dienen verzoeken om begeleid verlof dan wel om schorsing van de voorlopige hechtenis ter gelegenheid van de verjaardag van zijn minderjarige dochter. Het Hof heeft deze overeenkomst in zijn uitspraak na een uitvoerige toetsing rechtmatig en toelaatbaar geoordeeld. 3.4. Blijkens een in zijn uitspraak opgenomen nadere bewijsoverweging heeft het Hof het bewijs van de betrokkenheid van de verdachte (thans de aanvrager) bij het bewezenverklaarde feit in beslissende mate doen steunen op die door de getuige [betrokkene 1] afgelegde verklaringen. 4De eerdere herzieningsaanvragen 4.1. De Hoge Raad heeft de eerste aanvraag tot herziening van voormelde uitspraak van het Hof bij arrest van 4 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0227, wat betreft het eerste onderdeel van die aanvraag niet-ontvankelijk verklaard en voor het overige afgewezen. Daartoe heeft de Hoge Raad het volgende overwogen: "4.1. De aanvrager beroept zich op omstandigheden die in verband met het vroeger geleverde bewijs met de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht niet bestaanbaar schijnen, met dien verstande dat daardoor het ernstig vermoeden ontstaat dat het onderzoek zou hebben geleid tot vrijspraak. 4.2. De aanvrage kan in twee onderdelen worden onderscheiden. Het eerste onderdeel (aanvrage onder A) betreft de omstandigheid dat na het wijzen van de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht in de publiciteit is gekomen dat [betrokkene 1] in mei 2000 van een verleend verlof niet is teruggekeerd en zich aan zijn detentie heeft onttrokken, terwijl het Openbaar Ministerie hem kennelijk nadien heeft kunnen bereiken voor een ondervraging. Op grond daarvan wordt in de aanvrage betoogd dat verzoeker "zich niet aan de indruk [kan] onttrekken dat met [betrokkene 1] verdergaande afspraken zijn gemaakt (...) dan uit de overeenkomst (...) blijkt. Dat [betrokkene 1] de gelegenheid is geboden de wijk te nemen derhalve." 4.3. Het tweede onderdeel (aanvrage onder B) betreft de omstandigheid "dat [betrokkene 2] (...) vanaf 1 augustus 2001 een aantal verklaringen [heeft] afgelegd die lijnrecht indruisen tegen de verklaringen van [betrokkene 1], althans daar waar het de beweerde betrokkenheid van verzoeker bij het Stellendamtransport betreft". De verklaringen van [betrokkene 2] waarop de aanvrage doelt zijn als bijlagen daarbij overgelegd. Dit onderdeel van de aanvrage is ter gelegenheid van de mondelinge toelichting aangevuld met een beroep op een - door de aanvrager nader overgelegde - door [betrokkene 1] in de strafzaak tegen [betrokkene 2] afgelegde verklaring en in die zaak door [betrokkene 3] en [betrokkene 4] afgelegde verklaringen. 5. Beoordeling van de aanvrage 5.2. Voor wat de hiervoor onder 4.2 genoemde omstandigheid betreft geldt het volgende. De enkele omstandigheid dat [betrokkene 1] zich aan detentie zou hebben onttrokken kan reeds daarom niet als een novum gelden, omdat zij op zichzelf geen enkel verband houdt met de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht en de gronden waarop deze berust. De door die aangevoerde omstandigheid bij de aanvrager mogelijk gewekte indruk betreft geen omstandigheid van feitelijke aard en kan daarom niet als novum in aanmerking komen. Het eerste onderdeel van de aanvrage moet derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard. 5.3. Ten aanzien van hetgeen aan de aanvrage onder B ten grondslag is gelegd - hiervoor onder 4.3 vermeld - overweegt de Hoge Raad het volgende. 5.4. Het betreft de aangevoerde omstandigheid dat de hiervoor onder 4.3 genoemde personen verklaringen hebben afgelegd, waaruit zou volgen dat de tot het bewijs gebezigde verklaringen van [betrokkene 1] omtrent de betrokkenheid van de aanvrager bij het drugstransport waarop de bewezenverklaring ziet, niet de waarheid behelzen. 5.5. Vooropgesteld moet worden dat de aanvrager - wil die omstandigheid als een novum kunnen gelden - vooreerst aannemelijk zal moeten maken dat en waarom [betrokkene 1] omtrent die betrokkenheid van de aanvrager in strijd met de waarheid heeft verklaard. 5.6.1. Bij de aanvrage is als bijlage 4 een drietal verklaringen overgelegd van [betrokkene 2], medeverdachte van de aanvrager bij het Stellendamtransport, welke verklaringen door [betrokkene 2] als verdachte op 1 augustus, 9 augustus en 15 augustus 2001 tegenover de politie zijn afgelegd. Voorts zijn door mr. Moszkowicz bij brief van 18 oktober 2002 verklaringen van [betrokkene 3] en [betrokkene 4] overgelegd die door dezen in genoemde strafzaak tegen [betrokkene 2] ten overstaan van de rechter-commissaris zijn afgelegd. Tenslotte is bij genoemde brief overgelegd een door [betrokkene 1] in die strafzaak tegenover de Belgische politie afgelegde verklaring. 5.6.2. Uit nader door mr. Moszkowicz en de Advocaat-Generaal aan de Hoge Raad overgelegde stukken blijkt dat de desbetreffende strafzaak tegen [betrokkene 2] is uitgemond in een vonnis van de Rechtbank te Rotterdam van 20 september 2002, waarbij [betrokkene 2] onder meer wegens betrokkenheid bij het Stellendamtransport is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van acht jaren. 5.7. Bij de waardering van de overgelegde verklaringen van [betrokkene 2] verdient in de eerste plaats opmerking dat deze door hem zijn afgelegd als verdachte in zijn eigen strafzaak - derhalve niet onder ede - terwijl die verklaringen, over het geheel genomen, een ontkenning van de aan hem tenlastegelegde betrokkenheid bij het Stellendamtransport inhouden. De omstandigheid dat de Rechtbank [betrokkene 2] niettemin ter zake van dat transport heeft veroordeeld - en aan diens ontkenning dus geen geloof heeft gehecht - noopt daarom tot behoedzaamheid bij de beoordeling van de waarheidsgetrouwheid van diens verklaringen. 5.8. De enkele omstandigheid dat [betrokkene 2] heeft verklaard (in zijn op 1 augustus 2001 afgelegde verklaring) dat [betrokkene 1] hem heeft gezegd "dat het hele verhaal rond [aanvrager] een verzinsel is geweest van [betrokkene 1]" en dat de reden daarvoor volgens [betrokkene 1] was dat "hij daarom strafvermindering zou krijgen voor zijn aandeel in de zaak", is op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat de in de strafzaak tegen de aanvrager tot het bewijs gebezigde verklaringen omtrent de betrokkenheid van de aanvrager bij het Stellendamtransport niet de waarheid behelzen, temeer waar het Hof die verklaringen van [betrokkene 1] tegen de achtergrond van de door de Staat met hem gesloten overeenkomst ampel en uitdrukkelijk op hun betrouwbaarheid heeft getoetst. Voor het overige bieden de overgelegde verklaringen van [betrokkene 2] geen steun voor de stelling dat [betrokkene 1] omtrent die betrokkenheid van de aanvrager in strijd met de waarheid heeft verklaard. Daarbij verdient meer in het bijzonder nog opmerking dat, waar die betrokkenheid met name volgt uit de beschrijving van [betrokkene 1] van een drietal ontmoetingen die hij in het kader van het desbetreffende transport met de aanvrager heeft gehad (weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 7, 9 en 10), die ontmoetingen door [betrokkene 2] niet worden weersproken in die zin dat zij niet zouden hebben plaatsgevonden dan wel dat de aanvrager daarbij niet aanwezig zou zijn geweest. 5.9. De ter adstructie van de aanvrage nader overgelegde verklaring van [betrokkene 1] - afgelegd in de strafzaak tegen [betrokkene 2] - behelst niets waaruit blijkt dat [betrokkene 1] terugkomt van zijn in de strafzaak tegen de aanvrager tot het bewijs gebezigde verklaringen omtrent de betrokkenheid van de aanvrager bij het Stellendamtransport. De inhoud van de nader overgelegde verklaringen van [betrokkene 3] en [betrokkene 4] kan de stelling dat [betrokkene 1] zijn verklaringen in strijd met de waarheid heeft afgelegd evenmin schragen. De in die overgelegde verklaringen blijkens de pleitnotities door de aanvrager relevant geachte passages behelzen slechts meningen van genoemde personen omtrent [betrokkene 1] en de rol van de aanvrager. 5.10. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat aan de inhoud van de aan het tweede onderdeel van de aanvrage ten grondslag gelegde verklaringen - zowel afzonderlijk als in samenhang beschouwd - geen ernstig vermoeden als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2, Sv kan worden ontleend. Het tweede onderdeel van de aanvrage is daarom ongegrond." 4.2. De Hoge Raad heeft de tweede aanvraag tot herziening van voormelde uitspraak van het Hof bij arrest van 31 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0613, afgewezen. De Hoge Raad heeft, voor zover thans van belang, daartoe als volgt overwogen: "5. De grondslag van de aanvrage 5.1. De Hoge Raad onderscheidt in de aanvrage de volgende gronden. 5.2. De eerste grond komt kennelijk hierop neer dat uit nieuw bekend geworden feiten blijkt dat het Openbaar Ministerie in de strafzaak wat betreft de met de getuige [betrokkene 1] getroffen overeenkomst ernstig is te kort geschoten door aan het Hof geen volledige opening van zaken te geven. Ware de rechter daarmee bekend geweest, dan zou dat, aldus de aanvrage, geleid hebben tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging, althans tot vrijspraak. In dat verband wordt in de aanvrage tevens de stelling betrokken dat uit genoemde feiten volgt dat de in de strafzaak tegen de aanvrager door [betrokkene 1] afgelegde verklaringen niet overeenkomstig de waarheid zijn afgelegd. 5.3. In de tweede plaats berust de aanvrage - kennelijk al dan niet in samenhang met de eerste grond - op een op 2 mei 2005 ten overstaan van mr. Weski afgelegde verklaring van [betrokkene 5], eigenaar van het schip waarmee het Stellendamtransport heeft plaatsgevonden. In die verklaring gewaagt [betrokkene 5] van een gesprek met [betrokkene 1], dat in 1998 in een parketbusje zou hebben plaatsgevonden en waarin [betrokkene 1] tegen [betrokkene 5] over het Stellendam-transport zou hebben gezegd "dat hij zou gaan verklaren, dat die drugs van [aanvrager] waren en dat hij daar Justitie een groot plezier mee zou doen en dat hij dan strafvermindering zou krijgen", terwijl de aanvrager volgens [betrokkene 5] niets met die zaak te maken had en [betrokkene 1] dat ook zou hebben toegegeven. 6. Beoordeling van de aanvrage De eerste grond 6.2.1. Wat de eerste grond betreft houdt de aanvrage allereerst een opsomming in van feiten en omstandigheden die in de aanvrage zijn samengevat als "perikelen omtrent de feitelijke vrijlating" van [betrokkene 1]. Kennelijk strekt de aanvrage op dit punt ten betoge dat door het Openbaar Ministerie aan [betrokkene 1] - destijds niet bekend geworden - toezeggingen zijn gedaan aangaande de (beëindiging van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.