27 maart 2015 nr. 13/02667 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch van 18 april 2013, nr. 12/00120, op het hoger beroep van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen een uitspraak van de Rechtbank te Breda (nr. AWB 11/4077) betreffende een aan belanghebbende over de periode 1 januari 2004 tot en met 31 december 2007 opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 1Geding in cassatie De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft tevens voorwaardelijk incidenteel beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij voorwaardelijk incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit. De Staatssecretaris heeft het incidentele beroep beantwoord. Belanghebbende heeft in het incidentele beroep een conclusie van repliek ingediend. De Advocaat-Generaal M.E. van Hilten heeft op 15 juli 2014 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie. De Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd. 2Beoordeling van de middelen 2.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. 2.1.1. Belanghebbende oefent sinds 1 januari 2002 een praktijk uit in de paranormale geneeskunde en is uit dien hoofde ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet). De behandelingen die belanghebbende verricht, zijn gericht op de verzorging, het herstel en de instandhouding van lichaam en geest door middel van therapieën. Bij patiënten met psychische klachten vindt behandeling plaats door middel van gesprekken (hierna: de gesprekstherapieën). Bij patiënten met lichamelijke klachten vindt behandeling plaats door middel van magnetiseren, dat wil zeggen het door handoplegging en strijken energie overdragen om blokkades in het lichaam op te heffen (hierna: het magnetiseren). 2.1.2. Belanghebbende heeft met goed gevolg de beroepsopleiding op hbo-niveau tot ‘paranormaal therapeut’ afgerond aan [B] (hierna: [B]). [B] is lid van de koepelorganisatie Federatie van Opleidingen in de Natuurlijke Geneeswijzen. Deze organisatie stelt zich ten doel de professionalisering en de bevordering van opleidingen op het gebied van de alternatieve dan wel natuurlijke geneeswijzen. [B] is geaccrediteerd bij het Centraal Register Kort Beroepsonderwijs. Belanghebbende heeft ook na zijn studie trainingen gevolgd op het terrein van zijn beroepswerkzaamheden. 2.1.3. Belanghebbende is lid van de Vereniging van Natuurgeneeskundig Therapeuten (hierna: de VNT) en heeft een praktijklicentie van de VNT. De VNT waarborgt de kwaliteit van de aangesloten leden en hanteert een beroepscode en tuchtrechtelijke regels. Belanghebbende beschikt voorts over een licentie van de Stichting HBO Register Beroepsbeoefenaren Natuurlijke Gezondheidszorg (hierna: RBNG). Hij is in het RBNG-register ingeschreven als Registertherapeut BNG en is onderworpen aan het tuchtrecht van de Stichting Tuchtrecht Beroepsbeoefenaren Natuurlijke Gezondheidszorg. 2.1.4. Belanghebbende behandelt zes- tot zevenduizend patiënten per jaar. Zij komen bij hem terecht via mond-tot-mond-reclame of na een verwijzing door een huisarts, psycholoog of kinderarts. Circa dertig zorgverzekeringsmaatschappijen vergoeden aan hun verzekerden de kosten van de door belanghebbende verrichte behandelingen. 2.1.5. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de gesprekstherapieën en het magnetiseren op grond van artikel 11, lid 1, letter g, onder 1˚, van de Wet (tekst tot 1 januari 2008) zijn vrijgesteld van omzetbelasting. Hij heeft ter zake daarvan geen omzetbelasting op aangifte voldaan. De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende wel omzetbelasting is verschuldigd, aangezien belanghebbende niet is ingeschreven in het register als bedoeld in artikel 18 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg en hij evenmin ‘diensten door psychologen’ in de zin van artikel 11, lid 1, letter g, onder 1˚, van de Wet verricht. Hij heeft op die gronden aan belanghebbende de onderwerpelijke naheffingsaanslag opgelegd. 2.2.1. Het Hof heeft in de eerste plaats geoordeeld dat het begrip ‘psycholoog’ in de onderwerpelijke periode geen wettelijk beschermde titel is, dat het begrip 'psycholoog' als bedoeld in artikel 11, lid 1, letter g, onder 1˚, van de Wet naar spraakgebruik moet worden uitgelegd en dat die uitleg kan worden gevonden in het woordenboek Van Dale. Naar het spraakgebruik beoordeeld komen de gesprekstherapieën, aldus het Hof, zozeer overeen met de werkzaamheden van psychologen dat sprake is van diensten door psychologen in de zin van artikel 11, lid 1, letter g, onder 1˚, van de Wet. Daaraan doet niet af dat belanghebbende geen academische opleiding heeft gevolgd noch dat de door belanghebbende gevolgde opleiding niet is geaccrediteerd door de Nederlands Vlaamse Accreditatie Organisatie. Naar het oordeel van het Hof kan het magnetiseren niet worden beschouwd als een door een psycholoog verrichte dienst en is deze dienstverlening daarom niet op grond van de Wet vrijgesteld van omzetbelasting. 2.2.2. Met betrekking tot het magnetiseren alsmede ten overvloede met betrekking tot de gesprekstherapieën heeft het Hof vervolgens getoetst of de diensten op grond van artikel 13, A, lid 1, aanhef en letter c, van de Zesde Richtlijn respectievelijk artikel 132, lid 1, aanhef en letter c, van BTW‑richtlijn 2006 moeten worden vrijgesteld van omzetbelasting. Het Hof heeft – mede onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 27 april 2006, Solleveld en Van den Hout-van Eijnsbergen, C‑443/04 en C‑444/04, ECLI:EU:C:2006:257, BNB 2006/256 (hierna: het arrest Solleveld) - geoordeeld dat het magnetiseren en de gesprekstherapieën kwalitatief gelijkwaardig zijn aan soortgelijke behandelingen door psychiaters, psychologen of elk ander (para)medisch beroep. Het Hof heeft hiervoor in het bijzonder redengevend geacht dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.