10 juni 2016 nr. 15/00425 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende), alsmede het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 19 december 2014, nr. 13/01128, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. AWB 12/3371) betreffende een door belanghebbende op aangifte voldaan bedrag aan overdrachtsbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 1Geding in cassatie Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De beroepschriften in cassatie zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit. Belanghebbende en de Staatssecretaris hebben over en weer een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. 2Uitgangspunten in cassatie 2.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. 2.1.1. Belanghebbende heeft op 31 mei 2011 de eigendom verkregen van een onroerende zaak. Ter zake daarvan heeft hij op 7 juli 2011 op aangifte een bedrag aan overdrachtsbelasting voldaan. 2.1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen het op deze aangifte voldane bedrag. 2.1.3. Vervolgens heeft tussen de gemachtigde van belanghebbende en de Inspecteur een uitgebreide schriftelijke en mondelinge gedachtewisseling plaatsgevonden. 2.2. Bij uitspraak van 21 juni 2012 heeft de Inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard. Hierbij heeft hij op grond van het bepaalde in artikel 4:18 Awb beslist dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor toekenning van een dwangsom in de zin van artikel 4:17 e.v. Awb. De Rechtbank heeft beslist dat geen ingebrekestelling in de zin van die bepaling heeft plaatsgevonden. 3Beoordeling van de door belanghebbende voorgestelde middelen De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 4Beoordeling van het door de Staatssecretaris voorgestelde middel 4.1. Voor het Hof was onder meer in geschil of de Inspecteur wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar een dwangsom als bedoeld in artikel 4:17, lid 1, Awb, heeft verbeurd. 4.2. Naar het oordeel van het Hof voldeed een op 24 februari 2012 aan de Inspecteur gezonden brief aan alle aan een ingebrekestelling te stellen eisen. Daarvan uitgaande heeft het Hof geoordeeld dat de Inspecteur een dwangsom heeft verbeurd en heeft het deze dwangsom vastgesteld op € 1260. 4.3. Het middel komt met rechts- en motiveringsklachten op tegen de in 4.2 bedoelde oordelen. 4.4. Voor een ingebrekestelling als bedoeld in artikel 4:17, lid 3, Awb geldt de eis dat uit een geschrift duidelijk is dat de belanghebbende het bestuursorgaan maant om alsnog een bepaald besluit te nemen. Daarvoor is niet vereist dat in dit geschrift bepaalde termen zoals ‘aanmanen’ of ‘in gebreke stellen’ worden gebruikt. Wel is vereist dat het geschrift voldoende duidelijk maakt (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.