16 september 2016 nr. 15/02193 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van de erven van [A] te [Z] (hierna: belanghebbenden) tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 2 april 2015, nr. 13/00266, op het hoger beroep van belanghebbenden tegen een uitspraak van de Rechtbank Oost‑Brabant (nr. AWB 12/159) betreffende de ten aanzien van belanghebbenden gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten voor het jaar 2011 betreffende de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z]. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 1Geding in cassatie Belanghebbenden hebben tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. 2Beoordeling van de middelen en de klacht 2.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. 2.1.1. De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z] (hierna: de woning) bij de WOZ‑beschikking voor het jaar 2011 vastgesteld op € 350.000. Belanghebbenden hebben tegen de WOZ‑beschikking een bezwaarschrift ingediend. 2.1.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond verklaard. Tegen die uitspraak op bezwaar hebben belanghebbenden beroep ingesteld. 2.1.3. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. In hoger beroep hebben belanghebbenden een rapport ingebracht van een op hun initiatief door een deskundige ingesteld bouwkundig onderzoek (hierna: het bouwkundig onderzoek). 2.1.4. Gedurende de procedure in hoger beroep hebben belanghebbenden twee maal overleg gehad met de heffingsambtenaar teneinde een compromis te bereiken (hierna: de compromissoire besprekingen). 2.1.5. Naar aanleiding van het onderzoek ter zitting van het Hof op 12 december 2013 heeft op 3 januari 2014 een inpandige taxatie van de woning plaatsgevonden, uitgevoerd door een door beide partijen aangewezen taxateur (hierna: de taxatie). Belanghebbenden zijn hierbij aanwezig geweest. 2.1.6. Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd en het beroep gegrond verklaard. 2.1.7. Het Hof heeft geoordeeld dat de door belanghebbenden verzochte vergoeding voor het bijwonen van het bouwkundig onderzoek, de taxatie en de compromissoire besprekingen niet voor vergoeding in aanmerking komen, aangezien deze kosten geen kosten zijn als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit). 2.1.8. Voorts is het Hof voor de verletkosten van belanghebbenden in de hogerberoepsfase uitgegaan van uurtarieven van € 60 en € 65. 2.2. Het beroep in cassatie richt zich tegen ’s Hofs uitspraak met een klacht en twee middelen. 2.2.1. Het eerste middel komt met rechts- en motiveringsklachten op tegen het hiervoor in 2.1.7 weergegeven oordeel van het Hof. Bij de beoordeling van dit middel wordt vooropgesteld dat in het Besluit het begrip ‘verletkosten’ niet nader is gespecificeerd. Blijkens de Nota van toelichting bij het Besluit (Stb. 1993, 763) worden tot de verletkosten in de zin van het Besluit gerekend kosten van tijdverzuim voor bijvoorbeeld het bijwonen van een zitting. Tijdverzuim door bijvoorbeeld het lezen van stukken valt, zo blijkt uit de Nota van toelichting, niet onder de verletkosten die op grond van het Besluit voor vergoeding in aanmerking komen. In de Nota van toelichting bij het Besluit is aldus geen limitatieve opsomming van ‘verletkosten’ opgenomen, maar wordt slechts een voorbeeld gegeven van kosten van tijdverzuim die tot de verletkosten worden gerekend. Behalve de kosten in verband met het persoonlijk bijwonen van de zitting, komen als verletkosten voor de fase van (hoger) beroep tevens in aanmerking de kosten van tijdverzuim die een belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met onderzoekshandelingen (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.