14 oktober 2016 nr. 16/00801 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende), alsmede het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 29 december 2015, nr. 14/00829, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 12/3443) betreffende een door belanghebbende op aangifte voldaan bedrag aan overdrachtsbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 1Geding in cassatie Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De beroepschriften in cassatie zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit. Belanghebbende en de Staatssecretaris hebben over en weer een verweerschrift ingediend. 2Uitgangspunten in cassatie 2.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. 2.1.1. Belanghebbende heeft op 31 mei 2011 de eigendom verkregen van een onroerende zaak. Te dier zake heeft hij op 30 juni 2011 op aangifte een bedrag aan overdrachtsbelasting voldaan. 2.1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen het op deze aangifte voldane bedrag. 2.1.3. Vervolgens is tussen de gemachtigde van belanghebbende en de Inspecteur uitvoerig gecorrespondeerd over dit bezwaar. 2.2. Bij uitspraak van 14 juni 2012 heeft de Inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard. Hierbij heeft hij, op grond van het bepaalde in artikel 4:18 van de Awb, beslist dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor toekenning van een dwangsom in de zin van artikel 4:17 e.v. van de Awb. Op het hiertegen door belanghebbende ingestelde beroep heeft de Rechtbank beslist dat geen ingebrekestelling in de zin van die bepaling heeft plaatsgevonden. 3Beoordeling van de door belanghebbende voorgestelde middelen De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 4Beoordeling van de door de Staatssecretaris voorgestelde middelen 4.1. Voor het Hof was onder meer in geschil of de Inspecteur wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar een dwangsom als bedoeld in artikel 4:17, lid 1, van de Awb, heeft verbeurd. 4.2. Het Hof heeft overwogen dat de gemachtigde in een brief van 23 november 2011 en nogmaals in een brief van 15 december 2011 heeft vermeld dat de Inspecteur in gebreke wordt gesteld voor het niet tijdig beslissen op het bezwaar, maar dat uit die brieven niet kenbaar is op welke te nemen besluiten de ingebrekestelling betrekking heeft. Ter zitting van het Hof heeft de Inspecteur verklaard dat hem op 9 maart 2012 duidelijk was welke belastingplichtigen de gemachtigde vertegenwoordigde. Het Hof heeft daaruit afgeleid dat het de Inspecteur vanaf dat moment duidelijk moet zijn geweest op welke besluiten de ingebrekestelling betrekking had. Niet is vereist dat nadien door de belanghebbende alsnog een schriftelijke ingebrekestelling wordt ingediend die voldoet aan alle eisen die daaraan worden gesteld, aldus het Hof. Daarvan uitgaande heeft het Hof geoordeeld dat de Inspecteur een dwangsom heeft verbeurd en heeft het deze dwangsom vastgesteld op € 1260. 4.3. De middelen komen met rechts- en motiveringsklachten op tegen de in 4.2 bedoelde oordelen. 4.4. Voor een ingebrekestelling als bedoeld in artikel 4:17, lid 3, van de Awb geldt de eis dat uit een geschrift duidelijk is dat de belanghebbende het bestuursorgaan maant om alsnog een bepaald besluit te nemen. Daarvoor is niet vereist dat in dit geschrift bepaalde termen zoals ‘aanmanen’ of ‘in gebreke stellen’ worden gebruikt. Wel is vereist dat het geschrift voldoende duidelijk maakt (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.