26 februari 2016 nr. 15/00932 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 8 januari 2015, nr. 13/00092, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank te Haarlem (nr. 12/630) betreffende aan belanghebbende uitgereikte uitnodigingen tot betaling van douanerechten. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 1Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. Op 16 juni 2015 heeft Advocaat-Generaal M.E. van Hilten geconcludeerd tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd. 2Beoordeling van de middelen 2.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. 2.1.1. Belanghebbende heeft gedurende de periode 11 december 2002 tot en met april 2005 in opdracht van [A] B.V. (hierna: [A]) op eigen naam en voor eigen rekening vele malen aangifte gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van elektronische apparatuur. Naar aanleiding van een door de douane bij [A] ingestelde controle na invoer zijn op 9 januari 2007 met betrekking tot deze aangiften uitnodigingen tot betaling wegens meer verschuldigde douanerechten aan belanghebbende uitgereikt. Na tevergeefs bij de Inspecteur gemaakt bezwaar heeft de Rechtbank (nr. AWB 08/1021) deze uitnodigingen tot betaling vernietigd wegens het bij de uitreiking daarvan geschonden zijn van de rechten van de verdediging van belanghebbende. 2.1.2. De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Bij uitspraak van 27 januari 2011 heeft het Hof (nr. P09/00357) de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. 2.1.3. Bij brief van 18 maart 2011 heeft de Inspecteur belanghebbende geïnformeerd over zijn voornemen om ter zake van de douaneschulden waarop de hiervoor in 2.1.1 bedoelde uitnodigingen tot betaling betrekking hadden, opnieuw uitnodigingen tot betaling uit te reiken. De Inspecteur heeft laten weten de navordering te zullen beperken tot de in de jaren 2004 en 2005 ontstane douaneschulden, dit vanwege de omstandigheid dat voor de andere, in de jaren daarvoor ontstane, douaneschulden de termijn van drie jaar waarbinnen volgens artikel 221, lid 3, van het Communautair douanewetboek (hierna: het CDW) een mededeling van een geboekt bedrag aan rechten moet plaatsvinden, inmiddels was verstreken. Bij dit een en ander is de Inspecteur ervan uitgegaan dat de hiervoor bedoelde termijn van drie jaar geschorst is geweest, niet alleen voor de duur van de hiervoor in 2.1.1 bedoelde bezwaar- en beroepsprocedure maar mede voor de duur van de hiervoor in 2.1.2 bedoelde procedure van hoger beroep. Op 6 juli 2011 heeft de Inspecteur de onderhavige uitnodigingen tot betaling aan belanghebbende uitgereikt (hierna: de uitnodigingen tot betaling). 2.2.1. Voor het Hof was – onder meer - in geschil of de uitreiking van de uitnodigingen tot betaling binnen de in artikel 221, lid 3, van het CDW bedoelde termijn van drie jaar heeft plaatsgevonden. 2.2.2. Het Hof heeft – anders dan de Rechtbank -geoordeeld dat artikel 221, lid 3, van het CDW, in samenhang gelezen met artikel 243 van het CDW, aldus moet worden uitgelegd dat de hiervoor in 2.2.1 bedoelde termijn mede wordt geschorst door het instellen van hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank voor de duur van de procedure van hoger beroep. De fase van het beroep in de zin van artikel 243 van het CDW dient naar het oordeel van het Hof ertoe een definitief rechterlijk oordeel te verkrijgen met betrekking tot een beslissing van de inspecteur. Wanneer een lidstaat binnen de fase van beroep verschillende stadia kent, dienen, aldus het Hof, daarom alle te onderscheiden stadia tot de fase van beroep in de zin van artikel 243, lid 2, van het CDW te worden gerekend. Daarvan uitgaande is de termijn voor het uitreiken van de uitnodigingen tot betaling niet verstreken, aldus het Hof. 2.2.3. Het Hof heeft voorts verworpen de stelling van belanghebbende dat de uitnodigingen tot betaling in dit geval moeten worden vernietigd omdat deze niet in overeenstemming met het bepaalde in artikel 221, lid 1, van het CDW onmiddellijk na de boeking van het verschuldigde bedrag aan rechten aan de schuldenaar zijn uitgereikt. 2.2.4. Het Hof heeft ten slotte verworpen de stelling van belanghebbende dat de uitnodigingen tot betaling moeten worden vernietigd omdat deze niet zouden overeenstemmen met het bedrag van de oorspronkelijke boeking. Ten overvloede heeft het Hof geoordeeld dat voor het geval de wijziging van het geboekte totaalbedrag moet worden aangemerkt als een nieuwe boeking, de boeking van een douaneschuld niet aan een termijn is gebonden en de daarop gevolgde uitnodiging tot betaling als rechtsgeldig gedaan kan worden aangemerkt. 2.3.1. Middel 1 is gericht tegen de hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordelen van het Hof. Het middel herhaalt het voor het Hof gehouden betoog dat de termijn van artikel 221, lid 3, van het CDW niet wordt geschorst door het instellen van hoger beroep bij een gerechtshof. 2.3.2. Artikel 221, lid 3, van het CDW (tekst met ingang van 19 december 2000) luidt als volgt: “De mededeling aan de schuldenaar moet plaatsvinden binnen drie jaar nadat de douaneschuld is ontstaan. Deze termijn wordt geschorst door het instellen van een beroep in de zin van artikel 243 voor de duur van de procedure van beroep.” Artikel 243 van het CDW luidt, voor zover van belang, als volgt: “1. Iedere persoon heeft het recht beroep in te stellen tegen beschikkingen van de douaneautoriteiten die betrekking hebben op de toepassing van de douanewetgeving en die hem rechtstreeks en individueel raken. (…) 2. Het recht op beroep kan worden uitgeoefend:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.