1 april 2016 Eerste Kamer 15/00530 EV/LZ Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [eiser],wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, verweerder in het incidenteel cassatieberoep, advocaat: mr. H.J.W. Alt, t e g e n STICHTING ATAL-MEDIAL,gevestigd te Amsterdam, VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het incidenteel cassatieberoep, advocaat: mr. J.P. Heering. Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en ATAL. 1Het geding in feitelijke instanties Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken: a. de vonnissen in de zaak 501334/HA ZA 11-2575 van de rechtbank Amsterdam van 21 december 2011 en 7 november 2012; b. het arrest in de zaak 200.122.480/01 van het gerechtshof Amsterdam van 30 september 2014. Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht. 2Het geding in cassatie Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. ATAL heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit. Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor ATAL mede door mr. F.M. Dekker. De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt zowel in het principale als in het incidentele beroep tot verwerping. De advocaten van partijen hebben bij brieven van 29 januari 2016 op die conclusie gereageerd. 3Uitgangspunten in cassatie 3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten, vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.2 tot en met 1.22. 3.2 In dit geding heeft [eiser] een vordering tegen ATAL ingesteld, die in cassatie geen rol meer speelt. In reconventie vordert ATAL schadevergoeding van [eiser], die zij aansprakelijk houdt wegens niet behoorlijke vervulling van zijn taak als bestuurder, als bedoeld in art. 2:9 BW. 3.3 De rechtbank heeft de reconventionele vordering toegewezen tot een bedrag van (in hoofdsom) € 58.771,12. Het hof heeft dat vonnis op dat punt bekrachtigd en [eiser] daarenboven veroordeeld tot betaling van (in hoofdsom) € 371.100,30. Het heeft de vordering van ATAL tot vergoeding van de advocaatkosten (ten bedrage van € 68.072,76) die betrekking hadden op het in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.19 vermelde kort geding niet toewijsbaar geoordeeld, overwegende: “3.31 Het door ATAL gevorderde bedrag aan advocaatkosten wordt afgewezen. ATAL stelt dat deze kosten betrekking hebben op het door STAT tegen ATAL gevoerde kort geding en dat dit kort geding zonder het door [eiser] gevoerde wanbeleid niet gevoerd was. Zij heeft echter onvoldoende toegelicht dat zij het kort geding heeft verloren door het door [eiser] gevoerde wanbeleid. Grief 4 in principaal appel faalt daarom.” 4Beoordeling van het middel in het principale beroep De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 5Beoordeling van het middel in het incidentele beroep 5.1 De klachten van onderdeel 1 kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 5.2.1 Onderdeel 2 richt een motiveringsklacht tegen rov. 3.31, aangehaald hiervoor in 3.3. Het klaagt dat het oordeel van het hof in het licht van de gedingstukken onbegrijpelijk, althans, gelet op de rov. 2 onder (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.