15 september 2017 nr. 14/02778bis Arrest gewezen op het beroep in cassatie van The Shirtmakers B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 17 april 2014, nrs. 12/00572 en 12/00573, na beantwoording van de door de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gestelde vraag. 1Geding in cassatie Voor een overzicht van het geding in cassatie tot aan het door de Hoge Raad in dit geding gewezen arrest van 29 januari 2016, nr. 14/02778, ECLI:NL:HR:2016:133, BNB 2016/102, wordt verwezen naar dat arrest, waarbij de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft verzocht een prejudiciële beslissing te geven over de in dat arrest geformuleerde vraag. Bij arrest van 11 mei 2017, The Shirtmakers B.V., C‑59/16, ECLI:EU:C:2017:362, BNB 2017/147, heeft het Hof van Justitie, uitspraak doende op die vraag, voor recht verklaard: “Artikel 32, lid 1, onder e), i), van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek moet aldus worden uitgelegd dat het begrip „kosten van vervoer” in de zin van die bepaling zich uitstrekt tot de door de expediteur aan de importeur in rekening gebrachte toeslag die overeenkomt met de winst en de kosten van die expediteur in verband met zijn organisatie van het vervoer van de ingevoerde goederen naar het douanegebied van de Unie.” De Staatssecretaris heeft schriftelijk gereageerd op dit arrest. 2Nadere beoordeling van het middel 2.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.