10 november 2017 nr. 17/01037 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 19 januari 2017, nr. AWB 16/3475, betreffende de aan belanghebbende over het jaar 1997 opgelegde navorderingsaanslag in het recht van schenking. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht. 1Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. 2Beoordeling van het middel 2.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. 2.1.1. Belanghebbende is één van drie dochters uit het huwelijk tussen [A] (hierna: de moeder) en [B] (hierna: de vader). 2.1.2. De vader is overleden op 30 november 1996, de moeder op 1 januari 2004. 2.1.3. Op 17 januari 1997 heeft de moeder aan iedere dochter een bedrag van ƒ 465.200 vrij van recht geschonken (hierna: de schenking vrij van recht). Belanghebbende heeft begin 1998 aangifte gedaan van de schenking vrij van recht. Op 9 april 1998 is naar aanleiding van die aangifte aan haar een aanslag in het recht van schenking opgelegd ten bedrage van ƒ 77.425. 2.1.4. In 2014 heeft een zuster van belanghebbende gebruikgemaakt van de zogenoemde inkeerregeling. Als gevolg hiervan is bij de Belastingdienst bekend geworden dat belanghebbende in 1997, behalve de aangegeven schenking vrij van recht, van haar moeder een schenking kreeg van ƒ 925.000, afkomstig van het op een Zwitserse bankrekening van de moeder aanwezige tegoed (hierna: de schenking van het Zwitserse vermogen). De Inspecteur heeft daarop met dagtekening 22 december 2015 aan belanghebbende een navorderingsaanslag in het recht van schenking opgelegd (hierna: de navorderingsaanslag). 2.2.1. Voor de Rechtbank was in geschil of de navorderingsaanslag tijdig is opgelegd. In het bijzonder was in geschil of van de schenking van het Zwitserse vermogen aangifte is gedaan als bedoeld in artikel 66, lid 1, aanhef en ten tweede, Successiewet 1956 (hierna: SW; de bijzondere navorderingsregeling). 2.2.2. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de navorderingsaanslag tijdig is opgelegd. Daarbij heeft de Rechtbank als uitgangspunt genomen dat niet daadwerkelijk afzonderlijk aangifte is gedaan van de schenking van het Zwitserse vermogen. Vervolgens heeft de Rechtbank geoordeeld dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om de in de bijzondere navorderingsregeling bedoelde navorderingstermijn van twaalf jaren te verlengen indien de inspecteur niet op de hoogte was of kon zijn van een schenking. In dit geval was de Inspecteur weliswaar bekend met de schenking vrij van recht, maar hij had geen weet noch kon hij weet hebben van de schenking van het Zwitserse vermogen. Onder die omstandigheden kan naar het oordeel van de Rechtbank niet worden aangenomen dat van de schenking van het Zwitserse vermogen aangifte is gedaan. Dat past ook bij het uitgangspunt dat elke schenking een (afzonderlijk) belastbaar feit vormt. Gelet hierop is ter zake van de schenking van het Zwitserse vermogen de navorderingstermijn van twaalf jaren op grond van de bijzondere navorderingsregeling aangevangen na de dag van inschrijving van de akte van overlijden van de moeder, namelijk 1 januari 2004, aldus de Rechtbank. 2.3.1. Tegen de in 2.2.2 vermelde oordelen richt zich het middel. Het middel komt erop neer dat voor beantwoording van de vraag of aangifte is gedaan in de zin van de bijzondere navorderingsregeling schenkingen, door ouders tezamen of afzonderlijk gedurende een kalenderjaar aan een kind gedaan, als één schenking moeten worden beschouwd, en dat de bijzondere navorderingsregeling slechts van toepassing is wanneer van geen van de schenkingen die het kind in een kalenderjaar van zijn ouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.