5 december 2017 Strafkamer nr. S 15/04601 IV/SG Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, Enkelvoudige Kamer, van 16 oktober 2015, nummer 20/001633-15, in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]
(6)maanden te bevinden op de weg of plaats die deel uitmaakt van het door het college van B&W aangewezen gebied. Op 27 februari 2008 word door [verbalisant 4] , brigadier van Maastricht Centrum/Zuid, Basis Politiezorg, ter zake drugsrunnen, artikel 2.7.1 APV Maastricht, aan u gevorderd het genoemde gebied te verlaten. Op 6 april 2013 omstreeks 22:50 uur werd door u binnen de grenzen van voornoemd gebied een overtreding gepleegd te weten handel in softdrugs, artikel 3 onder B Opiumwet. Navolgend strafbaar feit /gedraging dan wel orde verstorende handeling werd geconstateerd door [verbalisant 5] , hoofdagent van politie, gestuurd door de bedienaar cameratoezicht Maastricht welke gezien had dat betrokkene hennep had verkocht aan drie mannen. Hiervan werd proces-verbaal opgemaakt. Aan [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats] wordt, op grond van artikel 2.4.25, sub a van de APV, een verbod opgelegd om zich in het door het college van Burgemeesters en Wethouders aangewezen gebied gedurende een periode van 14 x 24 uren te bevinden. Dit verbod gaat in op zaterdag 6 april 2013 te 22.50 uur en eindigt op 20/04 2013 te 22.50 uur. Het aangewezen gebied betreft het gebied dat wordt begrensd a. het gebied dat begrensd wordt door de volgende wegen, de Noorderbrug, de Frontensingel, de Statensingel, het Koningin Emmaplein, de Hertogsingel, het Tongerseplein, de Prins Bisschopsingel inclusief de Hubertuslaan richting de Luikerweg tot en met de kruising Aylvalaan-Pater Lemmensstraat, de John F. Kennedybrug,de John F. Kennedysingel, het Europaplein, de Sibemaweg in noordelijke richting ter hoogte van het Europaplein, de Mockstraat, de Bergerstraat, de Oostermaasweg, de Terblijterweg in westelijke richting, de Markies van Ledestraat, de Stadionweg, de Marathonweg in westelijke richting ter hoogte van de A2, de President Rooseveltlaan in zuidelijke richting tot aan de Viaductweg en de Viaductweg." 2.2.3. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in: "De raadsman voert het woord tot verdediging. Niet kan worden gecontroleerd of mijn cliënt op de hoogte was van het jegens hem uitgevaardigde gebiedsverbod. Verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] , die betrokken waren bij de aanhouding van mijn cliënt, hebben niet onderzocht of degene die zij voor zich hadden verdachte was. (...) Ik verzoek het hof verdachte vrij te spreken van het ten laste gelegde feit (...)" 2.3. Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende bepalingen van belang: - art. 2.4.25 Algemene Plaatselijke Verordening Maastricht 2006 (hierna: APV): "1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat, de veiligheid van personen en goederen, de verkeersvrijheid of- veiligheid en de gezondheid of zedelijkheid aan een persoon die zich bevindt op de weg of plaats, die deel uitmaakt van een door burgemeester en wethouders aangewezen gebied, gedurende de uren daarbij genoemd, het bevel geven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen. 2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan
- a)de burgemeester aan de persoon aan wie tenminste eenmaal een bevel is gegeven als bedoeld in het eerste lid, een verbod opleggen om zich gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van ten hoogste veertien dagen, anders dan in een openbaar middel van vervoer, te bevinden op de weg of plaats, die deel uitmaakt van een door burgemeester en wethouders aangewezen gebied als bedoeld in het eerste lid, gedurende de uren daarbij genoemd;
- b)de burgemeester aan de persoon, aan wie eerder een verbod als bedoeld onder a is opgelegd, een verbod opleggen om zich gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van ten hoogste zes maanden, anders dan in een openbaar middel van vervoer, te bevinden op de weg of plaats, die deel uitmaakt van een door burgemeester en wethouders aangewezen gebied als bedoeld in het eerste lid, gedurende de uren daarbij genoemd; 3. De burgemeester beperkt het in het tweede lid, onder a en b genoemde verbod of de daarin genoemde termijn indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is. 4. Het is verboden om zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd verbod als bedoeld in het tweede lid, onder a en b." - art. 6.1 APV: "Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde (...) wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de derde categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de uitspraak." - art. 3:40 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb): "Een besluit treedt niet in werking voordat het is bekendgemaakt." - art. 3:41 Awb: "1. De bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager. 2. Indien de bekendmaking van het besluit niet kan geschieden op de wijze als voorzien in het eerste lid, geschiedt zij op een andere geschikte wijze." 2.4.1. De verdachte is vervolgd ter zake van overtreding van het op grond van art. 2.4.25, tweede lid, APV namens de burgermeester van de gemeente Maastricht uitgevaardigde besluit strekkende tot - kort gezegd - oplegging van het verbod om zich gedurende een tijdvak van veertien dagen in een daartoe aangewezen gebied te bevinden, anders dan in een middel van openbaar vervoer (een zogeheten gebiedsontzegging). Handelen in strijd met dat verbod levert een overtreding op. 2.4.2. Op grond van art. 3:40 Awb treedt een besluit niet in werking voordat het is bekendgemaakt. Deze bekendmaking kan ingevolge art. 3:41 Awb plaatsvinden door middel van toezending of uitreiking aan de belanghebbende, dan wel - indien de bekendmaking niet kan geschieden door middel van toezending of uitreiking - op een andere geschikte wijze. 2.5. Gelet op art. 3:40 Awb is pas sprake van handelen in strijd met een gebiedsontzegging op grond van art. 2.4.25, tweede lid, en 6.1 APV, indien het daartoe strekkende besluit door bekendmaking in werking is getreden. Voor een bewezenverklaring ter zake van art. 2.4.25, tweede lid, APV is echter niet vereist dat vast komt te staan dat de verdachte ten tijde van het zich bevinden in het aangewezen gebied wist of had moeten weten dat hij in strijd met die gebiedsontzegging handelde. Voor zover aan het middel een andersluidende opvatting ten grondslag ligt, faalt het. Opmerking verdient dat onder bijzondere omstandigheden een mogelijke onbewustheid van de gebiedsontzegging van belang zou kunnen zijn voor de beoordeling van een beroep op de strafuitsluitingsgrond afwezigheid van alle schuld (vgl. HR 8 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0255, NJ 2010/342). 2.6. Het Hof heeft de bewezenverklaring mede doen steunen op een proces-verbaal waarin als verklaring van opsporingsambtenaar [verbalisant 1] is opgenomen dat genoemd besluit aan de verdachte "was (...) opgelegd en uitgereikt" en dat hem ambtshalve bekend was dat de verdachte een gebiedsontzegging had (bewijsmiddel 1). Mede in aanmerking genomen dat namens de verdachte slechts is aangevoerd dat niet kan worden gecontroleerd of de verdachte op de hoogte was van de gebiedsontzegging, is het kennelijke oordeel van het Hof dat het besluit blijkens de gebezigde bewijsmiddelen vóór het tijdstip van overtreding bekend is gemaakt en daarmee in werking is getreden, niet onbegrijpelijk. 2.7. Het middel faalt. 3Beoordeling van het eerste middel 3.1. Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden. 3.2. Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde hechtenis van een week, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan. 4Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 december 2017.