15 december 2017 nr. 16/02919 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 26 april 2016, nr. 15/00206, op het hoger beroep van [X1] Ltd (voorheen: [A] Ltd) te [Z], Israël, [X2] Ltd (voorheen: [B] Ltd) te [Z], Israël, [X3] Ltd (voorheen: [C] Ltd) te [Z], Israël, [X4] B.V. (voorheen: [D] Holding B.V.) te [Z], [X5] B.V. (voorheen: [E] B.V.) te [Z], [X6] B.V. (voorheen: [F] B.V.) te [Z], en [X7] B.V. te [Z] (hierna tezamen: belanghebbenden), betreffende een ten aanzien van belanghebbenden gegeven beschikking als bedoeld in artikel 15, lid 8, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 op een verzoek als bedoeld in artikel 15, lid 1, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 1Geding in cassatie De Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Belanghebbenden hebben een verweerschrift ingediend. De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 30 november 2016 geconcludeerd tot het gegrond verklaren van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2016:1240). Belanghebbenden hebben schriftelijk op de conclusie gereageerd. 2Beoordeling van het middel 2.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. 2.1.1. [X1] Ltd (hierna: [X1] Ltd) houdt alle aandelen in zowel [X2] Ltd (hierna: [X2] Ltd) als in [X3] Ltd (hierna: [X3] Ltd). [X1] Ltd, [X2] Ltd en [X3] Ltd zijn opgericht naar Israëlisch recht en gevestigd in Israël (hierna tezamen: de Israëlische belanghebbenden). Geen van de Israëlische belanghebbenden heeft een vaste inrichting of een vaste vertegenwoordiger in Nederland. 2.1.2. [X2] Ltd houdt 99,9 percent van de aandelen in [X4] B.V. (hierna: [X4] B.V.), 50 percent van de aandelen in [X6] B.V. (hierna: [X6] B.V.) en 0,1 percent van de aandelen in [X5] B.V. (hierna: [X5] B.V.). 2.1.3. [X3] Ltd houdt 99,9 percent van de aandelen in [X5] B.V., 50 percent van de aandelen in [X6] B.V. en 0,1 percent van de aandelen in [X4] B.V. 2.1.4. [X4] B.V. en [X5] B.V. houden beide 50 percent van de aandelen in [X7] B.V. (hierna: [X7] B.V.). 2.1.5. [X4] B.V., [X5] B.V., [X6] B.V. en [X7] B.V. zijn opgericht naar Nederlands recht en in Nederland gevestigd (hierna tezamen: de Nederlandse belanghebbenden). 2.1.6. Belanghebbenden hebben de Inspecteur verzocht om met ingang van 1 januari 2013 de Nederlandse belanghebbenden te voegen in een fiscale eenheid in de zin van artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (tekst voor het jaar 2013; hierna: de Wet), voor zover nodig tezamen met de Israëlische belanghebbenden. De Inspecteur heeft dit verzoek afgewezen bij beschikking als bedoeld in artikel 15, lid 8, van de Wet. 2.2. Voor het Hof was primair in geschil het antwoord op de vraag of de Nederlandse belanghebbenden met ingang van 1 januari 2013 een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting kunnen vormen. Tussen partijen was niet in geschil dat de Nederlandse belanghebbenden niet voldoen aan de voorwaarden voor het vormen van een fiscale eenheid zoals deze zijn neergelegd in de Wet. In geschil was of de Nederlandse belanghebbenden desondanks, gelet op het discriminatieverbod dat is opgenomen in artikel 27, lid 4, van het Belastingverdrag Nederland–Israël van 2 juli 1973, zoals gewijzigd bij protocol van 16 januari 1996 (hierna: het Verdrag), een fiscale eenheid kunnen vormen. 2.3.1. Het Hof heeft geoordeeld dat artikel 27, lid 4, van het Verdrag mede betrekking kan hebben op een verzoek als het onderhavige tot het vormen van een fiscale eenheid tussen de Nederlandse belanghebbenden. 2.3.2. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat bij de toepassing van artikel 27, lid 4, van het Verdrag een vergelijking dient te worden gemaakt tussen enerzijds de situatie van de Nederlandse belanghebbenden - te weten in Nederland gevestigde dochtermaatschappijen waarvan de gezamenlijke moedermaatschappij in Israël is gevestigd - en anderzijds de situatie van in Nederland gevestigde dochtermaatschappijen waarvan de gezamenlijke moedermaatschappij eveneens in Nederland is gevestigd (hierna: de hypothetische situatie). 2.3.3. In de hypothetische situatie hebben de in Nederland gevestigde dochtermaatschappijen op grond van het nationale recht de mogelijkheid om, zij het tezamen met hun in Nederland gevestigde gezamenlijke moedermaatschappij, een fiscale eenheid te vormen. Het Hof heeft de situatie waarin dergelijke in Nederland gevestigde vennootschappen verkeren, vergeleken met die van de Nederlandse belanghebbenden. De Nederlandse belanghebbenden hebben niet de mogelijkheid om een fiscale eenheid te vormen, aangezien hun in Israël gevestigde gezamenlijke moedermaatschappij op grond van het nationale recht daarvan geen deel kan uitmaken. Naar ’s Hofs oordeel ontstaat hierdoor een verschil in behandeling tussen de Nederlandse belanghebbenden en de in Nederland gevestigde dochtermaatschappijen in de hypothetische situatie. De Nederlandse belanghebbenden hebben immers geen toegang tot de regeling van de fiscale eenheid en de daarmee samenhangende voordelen, terwijl dat voor de in Nederland gevestigde dochtermaatschappijen in de hypothetische situatie wel het geval is. 2.3.4. Het Hof heeft onderzocht of het hiervoor in 2.3.3 bedoelde verschil in behandeling kan worden gerechtvaardigd door de omstandigheid dat in de hypothetische situatie de gezamenlijke moedermaatschappij verplicht deel uitmaakt van de fiscale eenheid. Naar ’s Hofs oordeel kan deze omstandigheid niet als rechtvaardiging voor het verschil in behandeling dienen, aangezien, bezien vanuit de positie van de Nederlandse belanghebbenden, aan de voeging van de gezamenlijke moedermaatschappij geen onderscheidende betekenis toekomt. 2.3.5. Het Hof is, onder meer op grond van zijn hiervoor in 2.3.1 tot en met 2.3.4 omschreven oordelen, tot de slotsom gekomen dat het beroep van de Nederlandse belanghebbenden op artikel 27, lid 4, van het Verdrag slaagt. Het Hof heeft het verzoek van de Nederlandse belanghebbenden om met ingang van 1 januari 2013 gezamenlijk te worden opgenomen in een fiscale eenheid toegewezen, en heeft daarbij [X6] BV aangewezen als moedermaatschappij. 2.4. Middelonderdeel a betoogt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de Nederlandse belanghebbenden gelet op artikel 27, lid 4, van het Verdrag gezamenlijk een fiscale eenheid kunnen vormen. Het middelonderdeel voert daartoe in de eerste plaats aan dat het Hof een verkeerde vergelijkingsmaatstaf heeft gehanteerd. Volgens het middelonderdeel had het Hof een vergelijking moeten maken tussen (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.