7 februari 2017 Strafkamer nr. S 16/01147 CB Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 25 februari 2016, nummer 23/002574-15, in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]
- 1Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft N. Velthorst, advocaat te Amsterdam, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. 2Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
- Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier L. Nuy, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 februari
- Middel 1 Schending van het recht en / of verzuim van vormen, waarvan de niet naleving met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, doordat de bewezenverklaring ten aanzien van het handelen 'tezamen en in vereniging’ ontoereikend is gemotiveerd. Toelichting Naar het oordeel van rekwirant zijn de door het Hof in zijn bewijsoverweging in aanmerking genomen feiten en omstandigheden onvoldoende om te kunnen aannemen dat rekwirant de diefstal heeft medegepleegd. Uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat rekwirant en de medeverdachte op de bewuste avond lange tijd met elkaar zijn opgetrokken. Ook herkenden de verbalisanten dat rekwirant en de medeverdachte vóór de diefstal 'zakkenrollersgedrag' vertoonden. Samen zijn zij de bewuste bar ingegaan, waar ook aangever zich bevond. Ongeveer tien minuten na binnenkomst is de medeverdachte haastig uit de bar vertrokken en kort daarna volgde rekwirant. Daarbij is volgens de verbalisant schichtig gedrag vertoond. Op enige afstand van de bar toont de medeverdachte een telefoon aan rekwirant. Bij de fouillering van de medeverdachte worden twee telefoons aangetroffen, waaronder de telefoon van aangever. De medeverdachte verklaart dat rekwirant de telefoon heeft gestolen en dat de medeverdachte deze heeft aangepakt en in zijn zak heeft gestopt. Rekwirant kan zich niet vinden in de overweging van het Hof dat voornoemd gedrag naar uiterlijke verschijningsvorm niet anders te duiden is dan als een nauwe en bewuste samenwerking. Mede gelet op hetgeen van de zijde van rekwirant is aangevoerd ter terechtzitting in hoger beroep is er wel degelijk een andere duiding mogelijk. Daarbij blijft onduidelijk welke afspraken er zijn gemaakt, en of er überhaupt afspraken zijn gemaakt tussen rekwirant en de medeverdachte. Naar het oordeel van rekwirant kan het bestreden arrest dan ook geen stand houden.