19 mei 2017 nr. 14/04751bis Arrest gewezen op het beroep in cassatie van J.J. de Lange te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 5 augustus 2014, nr. BK‑13/01775, na beantwoording van de door de Hoge Raad bij een arrest aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gestelde vragen. 1De loop van het geding in cassatie tot dusver Voor een overzicht van het geding in cassatie tot aan het door de Hoge Raad in dit geding gewezen arrest van 16 oktober 2015, nr. 14/04751, ECLI:NL:HR:2015:3022, BNB 2016/41 (hierna: het verwijzingsarrest), wordt verwezen naar dat arrest, waarbij de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft verzocht een prejudiciële beslissing te geven over de in dat arrest geformuleerde vragen. Bij arrest van 10 november 2016, De Lange, C-548/15, ECLI:EU:C:2016:850, V-N 2016/60.9 (hierna: het arrest), heeft het Hof van Justitie, uitspraak doende op die vragen, voor recht verklaard: “1) Artikel 3, lid 1, onder b), van richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep moet aldus worden uitgelegd dat een belastingregeling zoals aan de orde in het hoofdgeding, op grond waarvan de fiscale behandeling van scholingsuitgaven die door een persoon zijn gedaan, verschillend is naargelang van diens leeftijd, binnen de materiële werkingssfeer van deze richtlijn valt, voor zover deze regeling de toegang van jongeren tot een opleiding beoogt te bevorderen. 2) Artikel 6, lid 1, van richtlijn 2000/78 moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een belastingregeling zoals aan de orde in het hoofdgeding, op grond waarvan personen die de leeftijd van 30 jaar nog niet hebben bereikt, onder bepaalde voorwaarden de scholingsuitgaven volledig op hun belastbare inkomen in aftrek kunnen brengen, terwijl dit recht op aftrek beperkt is voor personen die deze leeftijd reeds hebben bereikt, voor zover ten eerste die regeling objectief en redelijk wordt gerechtvaardigd door een legitiem doel op het gebied van werkgelegenheids‑ en arbeidsmarktbeleid, en ten tweede de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn. Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of dit in het hoofdgeding het geval is.” Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, schriftelijk gereageerd op dit arrest. 2Beoordeling van de klachten 2.1. Te beoordelen is of de in artikel 6.30 Wet IB 2001 (hierna: de bepaling) voorziene beperking van de standaardstudieperiode die aan de leeftijd van de betrokkene is verbonden, een door Richtlijn 2000/78/EG (hierna: de richtlijn) verboden discriminatie oplevert. Blijkens onderdeel 1 van de hiervoor genoemde verklaring voor recht valt een regeling als de onderhavige onder de werkingssfeer van de richtlijn voor zover deze de toegang van jongeren tot een opleiding beoogt te bevorderen. Het bepaalde in artikel 6.30 Wet IB 2001 beoogt door uitgebreidere aftrekmogelijkheden voor belastingplichtigen jonger dan 30 jaar, de toegang van jongeren tot een opleiding te bevorderen. Het arrest laat daarom geen andere conclusie toe dan dat de bepaling onder de materiële werkingssfeer van de richtlijn valt. Derhalve moet worden beoordeeld (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.