13 november 2018 Strafkamer nr. S 17/03852 MD/CeH Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 20 juli 2017, nummer 23/000272-14, in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986. 1Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft Th.J. Kelder, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep en tot afwijzing van het verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. 2Beoordeling van het eerste middel 2.1. Het middel komt onder meer op tegen de verwerping van het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging van de verdachte wegens strijd met het in overweging 14 en art. 8 van de Richtlijn 2011/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan (PbEU L 101/1, hierna: de Richtlijn) neergelegde 'non-prosecution/non-punishment beginsel', alsmede met het bepaalde in de Aanwijzing mensenhandel van 21 juni 2013, Stcrt. 2013, 16816 (hierna: de Aanwijzing). 2.2.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat: "1. zij in de periode van 1 mei 2011 tot en met 15 juli 2012 te Amsterdam en Den Haag, tezamen en in vereniging met een ander, [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] door dwang en een of meer andere feitelijkheden en door dreiging met een of meer andere feitelijkheden en door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie heeft gehuisvest, met het oogmerk van uitbuiting van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en voornoemde [betrokkene 1] heeft medegenomen met het oogmerk [betrokkene 1] in een ander land, te weten in Nederland, ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling en [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en met een van de voornoemde middelen heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (te weten: prostitutiewerkzaamheden) en met een of meer van de voornoemde middelen en omstandigheden enige handeling heeft ondernomen waarvan zij, verdachte en haar mededader wisten, althans redelijkerwijs moesten vermoeden dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] zich daardoor beschikbaar stelden tot het verrichten van arbeid of diensten te weten: prostitutiewerkzaamheden en opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] met een of meer van de voornoemde middelen en/of omstandigheden heeft gedwongen en/of bewogen haar, verdachte en haar mededader te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] met of voor een derde, bestaande die dwang en die andere feitelijkheden en die dreiging met een of meer andere feitelijkheden en dat misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en dat misbruik van een kwetsbare positie en dat huisvesten en dat dwingen en/of bewegen en dat handelingen ondernemen en dat voordeel trekken hierin dat zij, verdachte en haar mededader ten aanzien van [betrokkene 1] - [betrokkene 1] haar reiskosten, om te komen vanuit Hongarije naar Nederland hebben voorgeschoten om voor haar en haar mededader op fifty fifty basis in de prostitutie te komen werken en - [betrokkene 1] in Amsterdam hebben gehuisvest en - eenmaal een prostitutiekamer voor [betrokkene 1] hebben betaald en - [betrokkene 1] bescherming hebben aangeboden (bij haar prostitutiewerkzaamheden) - [betrokkene 1] via Western Union geld heeft laten overmaken naar personen in Hongarije of - [betrokkene 1] meermalen de gedeeltelijke, door [betrokkene 1] verdiende, prostitutieverdiensten aan haar en haar mededader heeft laten afstaan en ten aanzien van [betrokkene 2] - [betrokkene 2] telkens door tegen haar te schreeuwen (onder andere als zij naar hun mening niet genoeg verdiende) onder psychische druk hebben gezet en gehouden en haar hebben voorgehouden dat zij aan verdachte en/of haar mededader een schuld had in te lossen en - [betrokkene 2] in Amsterdam hebben gehuisvest en - [betrokkene 2] een of meermalen heeft gecontroleerd terwijl zij in de prostitutie aan het werk was en - [betrokkene 2] hebben geïnstrueerd welke antwoorden zij moest geven als zij door de politie werd gecontroleerd en - [betrokkene 2] gedwongen haar gedeeltelijke prostitutieverdiensten aan haar, verdachte en haar mededader af te staan en ten aanzien van [betrokkene 3] - [betrokkene 3] in Amsterdam hebben gehuisvest en - met [betrokkene 3] hebben afgesproken dat zij van haar prostitutieverdiensten elke dag 50 euro zou betalen aan haar en haar mededader - [betrokkene 3] te kennen heeft gegeven dat zij de prostitutiekamer in Den Haag van haar verdachte diende te betalen en - [betrokkene 3] heeft gezegd dat zij haar kind, dat woonde bij die [betrokkene 3]' moeder in Hongarije niet meer mocht zien zolang zij haar schuld nog niet had afbetaald aan haar verdachte en haar mededader en - [betrokkene 3] heeft gedreigd haar familie in Hongarije te verwittigen van haar prostitutiewerkzaamheden en [betrokkene 3] heeft gedreigd geld te vragen aan haar, [betrokkene 3]' moeder; 2. zij in de periode van 1 mei 2011 tot en met 15 juli 2012, in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft zij, verdachte, telkens tezamen en in vereniging met een ander, in bovengenoemde periode bij wijze van gewoonte, contante geldbedragen, te weten telkens een groot deel van de verdiensten uit de door [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] verrichte prostitutiewerkzaamheden, verworven en voorhanden gehad en overgedragen en omgezet en daarvan gebruikt gemaakt terwijl zij wist dat bovenomschreven geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf." 2.2.2. Het Hof heeft het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie wegens schending van het zogenoemde 'non-prosecution/non-punishment beginsel' als volgt samengevat en verworpen: "Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard moet worden in de vervolging vanwege schending van het beginsel. Zij heeft hiertoe het volgende naar voren gebracht. Uit de artikelen 8 en 12 alsmede de overwegingen 14 en 20 van de Richtlijn 2011/36/EU moet worden afgeleid dat slachtoffers van mensenhandel niet vervolgd mogen worden voor strafbare feiten die het rechtstreeks gevolg zijn van die mensenhandel. De artikelen 11 en 12 van de Richtlijn kennen het recht op bescherming toe aan individuen, te weten slachtoffers van mensenhandel tijdens het strafonderzoek en de strafprocedure. De verdediging doet een rechtstreeks beroep op deze bepalingen, nu de Richtlijn niet juist is omgezet. De Richtlijn is geïmplementeerd via een wet die in 2013 in werking is getreden. Artikel 8 is geïmplementeerd via de Aanwijzing mensenhandel. De wetsgeschiedenis houdt in dat het openbaar ministerie op grond van het opportuniteitsbeginsel gebruik dient te maken van de mogelijkheid om dergelijke zaken te seponeren. De verdachte had niet vervolgd mogen worden, nu zij zelf slachtoffer is van mensenhandel die is gepleegd door de medeverdachte [medeverdachte]. Voor zover zij al uitvoeringshandelingen heeft verricht, zijn er zeer sterke aanwijzingen dat deze een rechtstreeks gevolg waren van de positie waarin zij verkeerde. Het openbaar ministerie was hiermee bekend, hetgeen blijkt uit het feit dat aan de medeverdachte de uitbuiting van de verdachte ten laste was gelegd. (...) Het oordeel van het hof geen rechtstreekse werking Richtlijn 2011/36/EU Uit hetgeen hiervoor met betrekking tot het beginsel in algemene zin werd overwogen, vloeit voort dat het hof van oordeel is dat de vraag, of sprake is van een vervolging in strijd met dit beginsel, moet worden beoordeeld naar nationaal recht. Dat zou slechts anders zijn als de Richtlijn niet of niet juist zou zijn omgezet. Daarvan is echter geen sprake. De wetgever heeft terecht geconstateerd dat de nationale wetgeving met het in het Wetboek van Strafvordering neergelegde opportuniteitsbeginsel reeds voldeed aan het vereiste van artikel 8 van de Richtlijn. Het opportuniteitsbeginsel brengt immers mee dat het openbaar ministerie in voorkomende gevallen kan afzien van de (verdere) vervolging van strafbare feiten op gronden aan het algemeen belang ontleend (artikel 167 lid 2 Sv en artikel 242 lid 2 Sv). Daarbij komt dat het non-prosecution/non-punishment beginsel inmiddels is neergelegd in de Aanwijzing mensenhandel van het openbaar ministerie (hierna: de Aanwijzing).Het hof voegt hieraan nog toe dat het, anders dan de verdediging, van oordeel is dat de artikelen 11 en 12 geen betrekking hebben op het beginsel en daarvoor evenmin van belang zijn. Deze bepalingen betreffen respectievelijk het verlenen van bijstand en ondersteuning aan slachtoffers van mensenhandel voor tijdens en na de strafprocedure en de bescherming van slachtoffers tijdens het strafonderzoek in de strafprocedure. Naar het oordeel van het hof kunnen deze bepalingen niet anders worden begrepen dan dat deze zien op de bescherming van slachtoffers in het kader van de strafrechtelijke procedure tegen de verdachten van de jegens hen gepleegde mensenhandel. Anders gezegd: voor wat betreft uitbuiting in de prostitutie gaan die bepalingen over de bescherming van prostituees-slachtoffers in de strafzaak tegen hun pooiers. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat een rechtstreeks beroep op de Richtlijn 2011/36/EU en het daarin neergelegde beginsel niet mogelijk is, nu Nederland die Richtlijn tijdig en juist heeft omgezet. Het hof overweegt ten overvloede dat een dergelijk beroep niet zou slagen, nu die Richtlijn geen beletsel inhoudt op het vervolgen van slachtoffers van mensenhandel voor door hen gepleegde strafbare feiten. ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging De beslissing van het openbaar ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing, in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. Zo'n uitzonderlijk geval kan zich voordoen wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet in strijd met zijn eigen beleidsuitgangspunten, zoals opgenomen in een (in de Staatscourant gepubliceerde) aanwijzing. Het openbaar ministerie heeft het beginsel als volgt opgenomen in de Aanwijzing: Slachtoffers van mensenhandel hebben recht op bescherming tegen vervolging en bestraffing wegens criminele activiteiten tot het plegen waarvan zij zijn gedwongen of bewogen, als rechtstreeks gevolg van het feit dat zij slachtoffer zijn van mensenhandel. Dit recht op bescherming staat niet in de weg aan een vervolging of bestraffing voor misdrijven die zij vrijwillig hebben begaan of waaraan zij vrijwillig hebben deelgenomen. In de gevallen waarin het evident is dat slachtoffers gedwongen zijn tot het plegen van misdrijven kan worden gedacht aan bijvoorbeeld een sepot, het vorderen van schuldigverklaring zonder oplegging van straf (artikel 9a Sr), of het toepassen van strafuitsluitingsgronden en/of strafvermindering. Het hof stelt vast dat het element van dwang, dat in de EU-Richtlijn en de hierboven genoemde verdragen tot uitdrukking komt en als zodanig onderdeel uitmaakt van het beginsel, in de Aanwijzing eveneens een voorwaarde vormt voor de (eventuele) vrijwaring van vervolging van slachtoffers van mensenhandel. Daarnaast is in de Aanwijzing opgenomen dat slachtoffers van mensenhandel recht hebben op bescherming tegen vervolging of bestraffing als zij zijn bewogen tot het plegen van strafbare feiten. Het hof is van oordeel dat het openbaar ministerie in redelijkheid kon oordelen dat het op grond van het dossier niet evident is dat de verdachte door [medeverdachte] is gedwongen of bewogen tot het plegen van de feiten die aan haar zijn ten laste gelegd. De conclusie is dat het openbaar ministerie met het instellen van vervolging tegen de verdachte niet heeft gehandeld in strijd met voornoemde Aanwijzing. Dat het openbaar ministerie [medeverdachte] mede heeft vervolgd voor de uitbuiting van de verdachte doet daaraan niet af. Nu ook overigens niet is gebleken dat het instellen of voortzetten van de vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde, verwerpt het hof het verweer." 2.3. De te dezen toepasselijke regelgeving is weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.1 tot en met 4.4. Daarvan is in het bijzonder van belang: - art. 8 van de Richtlijn: "De lidstaten nemen, in overeenstemming met de grondbeginselen van hun rechtsorde, de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de bevoegde nationale autoriteiten gerechtigd zijn slachtoffers van mensenhandel niet te vervolgen of te bestraffen wegens gedwongen betrokkenheid bij criminele activiteiten die een rechtstreeks gevolg is van een van de in artikel 2 bedoelde, jegens hen gepleegde handelingen." - de Aanwijzing, die onder het opschrift "Vervolging" onder meer inhoudt: "2. Niet vervolging en niet-bestraffing van het slachtoffer (beginselen van non-prosecution en non-punishment) Slachtoffers van mensenhandel hebben recht op bescherming tegen vervolging en bestraffing wegens criminele activiteiten, tot het plegen waarvan zij zijn gedwongen of bewogen, als rechtstreeks gevolg van het feit dat zij slachtoffer zijn van mensenhandel. Dit recht op bescherming staat niet in de weg aan een vervolging of bestraffing voor misdrijven die zij vrijwillig hebben begaan of waaraan zij vrijwillig hebben deelgenomen. In de gevallen waarin het evident is dat slachtoffers gedwongen zijn tot het plegen van misdrijven kan worden gedacht aan bijvoorbeeld een sepot, het vorderen van schuldigverklaring zonder oplegging van straf (art. 9a Sr), of het toepassen van strafuitsluitingsgronden en/of strafvermindering." 2.4.1. Het middel komt onder meer op tegen de verwerping door het Hof van het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging van de verdachte. De eerste klacht is gericht tegen 's Hofs oordeel dat een rechtstreeks beroep op de Richtlijn niet mogelijk is. 2.4.2. Het Hof heeft in het kader van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging van de verdachte onder meer geoordeeld dat de Nederlandse nationale wetgeving met het in het Wetboek van Strafvordering neergelegde opportuniteitsbeginsel voldoet aan het vereiste in art. 8 van de Richtlijn, voortvloeiend uit het zogenoemde 'non-prosecution/non-punishment beginsel', en dat dit beginsel tevens is opgenomen in de Aanwijzing. Naar het oordeel van het Hof is daarmee de Richtlijn tijdig en juist in nationale wetgeving omgezet, zodat de verdachte geen rechtstreeks beroep op de Richtlijn toekomt. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. 2.4.3. De tweede klacht keert zich tegen het oordeel van het Hof dat het Openbaar Ministerie met het instellen van vervolging niet in strijd met de Aanwijzing heeft gehandeld. 2.4.4. Het Hof heeft geoordeeld dat het Openbaar Ministerie in redelijkheid het standpunt heeft kunnen innemen dat het niet evident is dat de verdachte is gedwongen of bewogen tot het plegen van de aan haar tenlastegelegde feiten, en dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging nu met het instellen van de vervolging tegen de verdachte niet in strijd met de Aanwijzing is gehandeld. Mede gelet op de inhoud van de Aanwijzing geeft dat oordeel niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk. 2.4.5. De klachten falen. 3Beoordeling van het derde middel 3.1. Het middel richt zich tegen de strafoplegging en de motivering daarvan. Daartoe wordt onder meer aangevoerd dat het Hof het verweer strekkende tot toepassing van art. 9a Sr op grond van het zogenoemde 'non-prosecution/non-punishment beginsel' ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft verworpen. 3.2. Het Hof heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van twintig maanden. Het Hof heeft deze straf, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, als volgt gemotiveerd: "Oplegging van straf De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte vrijgesproken van het onder 3 tenlastegelegde en voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar met aftrek van de tijd die zij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht. Het standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar, waarvan één jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met aftrek van de tijd die zij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. (...) Het standpunt van de raadsman De raadsman heeft bepleit dat in het geval van een bewezenverklaring toepassing dient te worden gegeven aan het rechterlijk pardon zoals neergelegd in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, gelet op het non-punishment beginsel (hierna wederom: het beginsel). (...) Het oordeel van het hof Het beroep op toepassing van artikel 9a Sr. Voor wat betreft het oordeel van het hof over de toepasselijkheid en de inhoud van het beginsel verwijst het hof naar de hiervoor gegeven inleidende beschouwing. Deze leiden het hof tot de conclusie dat straffeloosheid op zijn plaats is als de verdachte gedwongen of bewogen zou zijn geweest de tegen haar bewezen verklaarde strafbare feiten te plegen en deze feiten het rechtstreeks gevolg zouden zijn van de jegens dat slachtoffer gepleegde mensenhandel. Het hof verwijst wat dit betreft naar hetgeen in het kader van de psychische overmacht werd overwogen. Daarin kwam het hof al tot het oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte heeft gehandeld onder dwang of drang of dat zij is bewogen tot het medeplegen van mensenhandel jegens anderen. Het hof voegt daaraan nog het volgende toe. Het hof begrijpt het betoog van de raadsman aldus, dat het non-punishment beginsel zo moet worden uitgelegd dat het dwangmiddel waarmee een verdachte zelf is uitgebuit - te weten het misbruik van zijn kwetsbare situatie -, tevens heeft te gelden als het dwangmiddel waardoor hij strafbare feiten heeft gepleegd. Het hof deelt deze opvatting niet. Weliswaar laten zich situaties denken waarin dit het geval is maar dat geldt zeker niet voor alle strafbare feiten die door een slachtoffer van mensenhandel worden gepleegd. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. De in de inleidende beschouwing geciteerde teksten, noch de Aanwijzing bieden duidelijkheid over precieze reikwijdte van het non-punishment beginsel. Wel zijn in de considerans van de Richtlijn enige voorbeelden gegeven van strafbare feiten die onder het non-punishment beginsel vallen, zoals het gebruik van valse documenten en overtredingen van de prostitutie- of immigratiewetgeving. Een limitatieve opsomming van strafbare feiten die onder de bescherming kunnen vallen, behelst de considerans echter niet. Het hof begrijpt uit de gegeven voorbeelden dat de opstellers van de Richtlijn strafbare feiten voor ogen hebben gehad die samenvallen, of zeer nauw samenhangen, met het brengen van een slachtoffer in een uitbuitingssituatie en met de werkzaamheden waartoe hij vervolgens is gedwongen. Het hof vat dit aldus op, dat in dergelijke gevallen (mits daadwerkelijk van dat samenvallen of die zeer nauwe samenhang sprake
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.