11 december 2018 Strafkamer nr. S 17/01624 DAZ Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 20 maart 2017, nummer 23/001760-15, in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980. 1Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.Y. Taekema, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd. 2Bewezenverklaring en bewijsvoering 2.1. De Advocaat-Generaal heeft in zijn conclusie onder 3 waar het in deze zaak om gaat als volgt samengevat: "De verdachte is in 2011 onherroepelijk veroordeeld voor het medeplegen van de moord op [slachtoffer] in 2006 tot een gevangenisstraf van twaalf jaar en zes maanden. De onderhavige zaak heeft betrekking op de rol van de verdachte als getuige in de strafzaken die gezamenlijk worden aangeduid als het 'Passageproces'. Tijdens meerdere terechtzittingen heeft de verdachte, opgeroepen en verschenen als getuige, geweigerd te antwoorden op hem gestelde vragen en zich beroepen op zijn verschoningsrecht. In deze en de samenhangende zaak is hij veroordeeld wegens de weigering als getuige antwoord te geven op vragen als bedoeld in art. 192 Sr." 2.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat: "1.hij op 14 mei 2014 in de gemeente Haarlemmermeer, terwijl hij wettelijk als getuige was opgeroepen ter terechtzitting van de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, opzettelijk niet heeft voldaan aan enige wettelijke verplichting die hij als zodanig had te vervullen, immers heeft hij, verdachte, op die terechtzitting geweigerd antwoord te geven op aan hem gestelde vragen en zich daarbij ten onrechte beroepen op een verschoningsrecht; 2. hij op 2 juni 2014 in de gemeente Haarlemmermeer, terwijl hij wettelijk als getuige was opgeroepen ter terechtzitting van de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, opzettelijk niet heeft voldaan aan enige wettelijke verplichting die hij als zodanig had te vervullen, immers heeft hij, verdachte, op die terechtzitting geweigerd antwoord te geven op aan hem gestelde vragen en zich daarbij ten onrechte beroepen op een verschoningsrecht." 2.3.1. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen: "1. Een gewaarmerkte kopie van het proces-verbaal van de terechtzitting van 14 mei 2014 van het gerechtshof Amsterdam, Afdeling strafrecht, zittingslocatie Justitieel Complex Schiphol, in de strafzaken tegen [betrokkene 1] (23-000648-13), [betrokkene 2] (23-000646-13), [betrokkene 3] (23-000672-13), [betrokkene 4] (23-000707-13), [betrokkene 5] (23-000647-13) en [betrokkene 6] (23-000643-13), vastgesteld en ondertekend door de voorzitter en de griffiers. Dit proces-verbaal houdt - zakelijk weergegeven en voor zover van belang - in: De voorzitter deelt mede dat vandaag het verhoor van [verdachte] zal plaatsvinden. De voorzitter stelt vast dat deze getuige is verschenen. De voorzitter doet de getuige [verdachte] voor zich verschijnen. De getuige wordt bijgestaan door mr. N. Harlequin, advocate te Den Haag, die achterin de zittingszaal heeft plaatsgenomen. De getuige doet op vragen van de voorzitter opgave omtrent naam, voornamen, geboorteplaats, geboortedatum, woon- of verblijfplaats en beroep voor zover hieronder is vermeld, verklaart geen bloed- of aanverwant van de verdachten te zijn en legt vervolgens op de bij de wet voorgeschreven wijze in handen van de voorzitter de belofte af de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen. De getuige [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats] , zonder beroep, verklaart - zakelijk weergegeven - als volgt: Op vragen van het hof: Het klopt dat mijn strafzaak inmiddels onherroepelijk is. Ik heb uiteindelijk 12 jaar en zes maanden gevangenisstraf opgelegd gekregen. Ik wil graag direct tot de kern komen. U vraagt mij of ik mij heb voorbereid op dit verhoor, bijvoorbeeld door nog stukken uit mijn dossier te lezen of met andere mensen te spreken. Dat is vertrouwelijk, ik geef daar geen antwoord op. Ik zal mij vandaag ten aanzien van alle vragen die worden gesteld op mijn verschoningsrecht beroepen. Ik ben van mening dat dit recht mij toekomt. U vraagt mij wat op dit moment mijn stemming en gevoel is. Ik voel niks op dit moment. Het is wel ongemakkelijk om hier te zijn, maar ik kan daar niet meer over zeggen. Ten aanzien van vragen over de verklaringen van [betrokkene 9] beroep ik mij op mijn verschoningsrecht. U vraagt mij uit te leggen waarom ik van mening ben dat mij een beroep op het verschoningsrecht toekomt, aangezien mijn strafzaak inmiddels onherroepelijk is. Ook ten aanzien van die vraag beroep ik mij op mijn verschoningsrecht. Ik kan ook niet aangeven of er andere drempels zijn die maken dat ik vandaag niet wens te verklaren. Het is niet nodig de zitting te onderbreken voor overleg met mijn advocaat, omdat nader overleg met mijn advocaat mijn standpunt niet zal doen wijzigen. De advocaat-generaal deelt mede - zakelijk weergegeven - dat de getuige geen verschoningsrecht toekomt en dat hij in beginsel verplicht is vragen die hem worden gesteld naar waarheid te beantwoorden. Indien de getuige goede redenen heeft om vandaag niet te willen verklaren, dan dient hij deze kenbaar te maken. De advocaat-generaal wijst de getuige er op dat hij thans voorwaardelijk in vrijheid is gesteld en dat het goed mogelijk is dat zijn opstelling voor de getuige negatieve gevolgen heeft. Hij suggereert dat het wellicht een goed idee is dat de getuige gelegenheid krijgt om hierover nader met zijn advocaat te overleggen. Indien de getuige vervolgens nog steeds weigert antwoord te geven op vragen die hem worden gesteld, kan hij in gijzeling worden genomen. De voorzitter deelt mede dat het onderzoek wordt onderbroken, ten einde de getuige de gelegenheid te bieden overleg te voeren met zijn advocaat. Na hervatting van het onderbroken onderzoek verklaart de getuige [verdachte] - zakelijk weergegeven - het volgende. Op een vraag van het hof: Ik heb overleg gehad met mijn advocaat, maar dat heeft nergens toe geleid. Ik zal mij ten aanzien van alle vragen die worden gesteld beroepen op mijn verschoningsrecht en ben niet bereid nader toe te lichten op grond waarvan ik meen dat dat verschoningsrecht mij toekomt. Op een vraag van de advocaat-generaal: Op de vraag of de afgelopen tijd iets is voorgevallen ten aanzien van mij of bijvoorbeeld een van mijn familieleden, beroep ik mij op mijn verschoningsrecht. Na beraad in raadkamer deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het van oordeel is dat de getuige zonder wettige grond weigert de gestelde vragen te beantwoorden en dat, nu dit voor het onderzoek dringend noodzakelijk is, wordt bevolen dat de getuige [verdachte] voor ten hoogste dertig dagen in gijzeling wordt genomen en dat de getuige op de terechtzitting van 2 juni 2014, te 9.30 uur, wederom zal dienen te verschijnen teneinde nader te worden gehoord omtrent zijn bereidheid om antwoord te geven op vragen en een datum voor een nader verhoor te bepalen. De getuige [verdachte] wordt uit de zittingszaal weggeleid. 2. Een gewaarmerkte kopie van het proces-verbaal van de terechtzitting van 2 juni 2014 van het gerechtshof Amsterdam, Afdeling strafrecht, zittingslocatie Justitieel Complex Schiphol, in de strafzaken tegen o.a. [betrokkene 1] (23-000648-13), [betrokkene 2] (23-000646-13), [betrokkene 3] (23-000672-13), [betrokkene 6] (23-000643-13), [betrokkene 4] (23-000707-13) en [betrokkene 5] (23-000647-13), vastgesteld en ondertekend door de voorzitter en de griffiers. Dit proces-verbaal houdt - zakelijk weergegeven en voor zover van belang - in: De voorzitter merkt op dat ter terechtzitting van heden het verhoor van de getuige [verdachte] aan de orde zal zijn. De voorzitter stelt vast dat de getuige ter terechtzitting is verschenen. De voorzitter doet de getuige [verdachte] voor zich verschijnen. De getuige wordt bijgestaan door mr. [N.] Harlequin, advocate te Den Haag. De getuige doet op vragen van de voorzitter opgave omtrent naam, voornamen, geboorteplaats, geboortedatum, woon- of verblijfplaats en beroep voor zover hieronder is vermeld, verklaart geen bloed- of aanverwant van de verdachten te zijn en legt vervolgens op de bij de wet voorgeschreven wijze in handen van de voorzitter de belofte af de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen. De getuige [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd in Krimpen aan den IJssel, zonder beroep, verklaart - zakelijk weergegeven - als volgt: Ik zal mij, net als ter terechtzitting van 14 mei 2014, ten aanzien van alle vragen beroepen op mijn verschoningsrecht. Ik wens hierop geen enkele nadere toelichting te geven, ook niet na achtereenvolgens uw uiteenzetting van mijn rechten en plichten als getuige en uw aandringen. De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat de getuige geen verschoningsrecht toekomt en de getuige nog steeds niet aan zijn verplichtingen voldoet. Voorts merkt de advocaat-generaal op dat de officier van justitie zal worden gevraagd een strafrechtelijke vervolging in te stellen wegens het als getuige opzettelijk niet voldoen aan een wettelijke verplichting die hij als zodanig te vervullen heeft. Ten slotte deelt de advocaat-generaal mede dat indien de getuige blijft weigeren de gestelde vragen te beantwoorden, dit gevolgen kan hebben voor zijn voorwaardelijke invrijheidsstelling. Mr. [S.L.J.] Janssen vraagt de getuige of hij zich beroept op zijn verschoningsrecht, op de grond dat hij zich anders mogelijk schuldig maakt aan meineed. De getuige beroept zich op zijn verschoningsrecht. 3. Een geschrift, te weten een kopie van een brief van mr. F. Posthumus, advocaat-generaal, van 15 juli 2014, gericht aan het Arrondissementsparket Noord-Holland. Dit geschrift houdt - zakelijk weergegeven en voor zover van belang - in: Wij hebben eerder contact gehad over de mogelijke vervolging van [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980. Binnen de megazaak Passage is de moord op [slachtoffer] en de aanloop naar de moord, een van de zaken. In Passage staan daarvoor terecht [betrokkene 6] , [betrokkene 5] , [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 4] . [verdachte] is rechtsgeldig als getuige opgeroepen in het hoger beroep in Passage. Hij is opgeroepen voor de zitting van 14 mei 2014. 4. De verklaring van de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep van 6 februari 2017. Deze verklaring houdt - zakelijk weergegeven en voor zover van belang - in: Ik heb een dagvaarding om te getuigen gekregen, terwijl ik voor die zaak vast zat in het Paleis van Justitie in Den Haag. Daar heb ik een keer een dagvaarding in mijn handen gedrukt gekregen." 2.3.2. Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts het volgende overwogen: "Opzet De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte niet opzettelijk niet heeft voldaan aan een wettelijke verplichting die de verdachte als getuige had te vervullen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat alleen het welbewust claimen van een verschoningsrecht, dat men klaarblijkelijk niet toekomt, misschien tot strafwaardigheid kan leiden. De rechtsfiguur van het voorwaardelijk opzet past in de optiek van de raadsman niet bij de delictsomschrijving van artikel 192 Sr. Het hof overweegt als volgt. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 14 mei 2014 blijkt dat de verdachte - nadat hij had verklaard geen bloed- of aanverwant van de verdachten in het Passage-proces te zijn - er door het hof op is gewezen dat zijn strafzaak inmiddels onherroepelijk was en is hem tegen die achtergrond gevraagd uit te leggen waarom hij van mening was dat hem een beroep op een verschoningsrecht toekwam, welke uitleg de verdachte niet heeft gegeven. De advocaat-generaal heeft vervolgens medegedeeld dat de verdachte in zijn visie geen verschoningsrecht toekwam en heeft gewezen op de verschillende negatieve gevolgen die de opstelling van de verdachte zou kunnen hebben. Het onderzoek ter terechtzitting is hierna onderbroken teneinde de verdachte de gelegenheid te bieden overleg met zijn advocaat te voeren. De verdachte heeft na hervatting van dat onderzoek medegedeeld dat hij overleg heeft gehad met zijn advocaat, maar dat hij zich ten aanzien van alle vragen die hem zouden worden gesteld zou beroepen op een verschoningsrecht. De voorzitter heeft hierop als beslissing van het hof medegedeeld dat de verdachte (toen) als getuige zonder wettige grond weigerde de gestelde vragen te beantwoorden, waarna de verdachte in gijzeling is genomen en op 2 juni 2014 opnieuw is gehoord. Uit het proces-verbaal van die laatste terechtzitting blijkt dat de verdachte heeft medegedeeld dat hij zich ten aanzien van alle vragen die hem zouden worden gesteld zou beroepen op een verschoningsrecht en dat hij hierop geen enkele toelichting wenste te geven, ook niet nadat (kennelijk door het hof) daar nader op is aangedrongen en de rechten en plichten van de verdachte als getuige uiteen waren gezet. Op grond hiervan komt het hof tot het oordeel dat de verdachte op de terechtzitting van 14 mei 2014 welbewust en met zogenoemd 'vol opzet' heeft gehandeld, door, na er op te zijn gewezen dat zijn strafzaak inmiddels onherroepelijk was en in weerwil van de mededelingen van de advocaat-generaal, niet te voldoen aan zijn wettelijke plicht de hem gestelde vragen te beantwoorden. Een en ander geldt a fortiori voor de handelwijze van de verdachte op de terechtzitting van 2 juni 2014. Het verweer faalt reeds om die redenen. Verschoningsrecht Verweer verdachte en diens raadsman Anders dan op de terechtzittingen in het Passage-proces van 14 mei en 2 juni 2014 heeft de verdachte op de terechtzitting in de onderhavige zaak van 6 februari 2017 toegelicht waarom hij vond dat hem op de twee eerstgenoemde data een beroep op een verschoningsrecht toekwam. Met zijn raadsman heeft hij, samengevat, het volgende naar voren gebracht: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.