18 december 2018 Strafkamer nr. S 17/01030 Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 10 februari 2017, nummer 22/003494-11, in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976. 1Geding in cassatie Het beroep - dat kennelijk niet is gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het hoger beroep tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraak van het (gewoonte)witwassen van de in de tenlastelegging genoemde panden - is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Den Haag teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan. 2Beoordeling van het middel 2.1. Het middel komt op tegen het bewezenverklaarde witwassen van geldbedragen van in totaal € 90.000,- die de verdachte heeft voorhanden gehad en omgezet en klaagt onder meer dat de bewezenverklaring voor zover deze inhoudt dat de daarin vermelde geldbedragen van misdrijf afkomstig zijn, niet toereikend is gemotiveerd. 2.2.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat: "hij op tijdstippen in de periode van 18 februari 2006 tot en met 23 juni 2006, te Leiden en te Nieuw-Vennep en te Zoeterwoude en te Hoogstraten (België) heeft witgewassen, immers heeft hij, verdachte - onderstaande voorwerpen voorhanden gehad en omgezet immers heeft hij, verdachte, telkens een contant geldbedrag op 18 februari 2006, € 14.700,-; 20 februari 2006, € 6.000,-; 6 maart 2006, € 6.000,-; 8 april 2006, € 14.000,-; tussen 8 april 2006 en 24 april 2006, € 20.000,-; 24 april 2006, € 5.300,-; 8 mei 2006, € 14.000,- en 23 juni 2006, € 10.000,-- contante betalingen voor een boot direct besteed aan - een boot, merk Campion Chase 910i SC, terwijl verdachte wist dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf." 2.2.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen: "1. De verklaring van de verdachte. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 23 juni 2012 verklaard - zakelijk weergegeven -: Ik kan zeggen dat ik die betalingen (het hof begrijpt: de in de tenlastelegging genoemde betalingen) van de boot (het hof begrijpt: de in de tenlastelegging genoemde boot) heb gedaan. 2. De verklaring van de verdachte. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 2 november 2010 verklaard - zakelijk weergegeven -: Ik kocht de boot voor € 142.000 waarop een boot voor € 52.000 is ingeruild. Ik heb cash betaald. Ik had de contante bedragen voor de boot uit de kluis gehaald. Ik ben bekend met de MOT-regeling. 3. Het proces-verbaal van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 14 november 2012. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -: als de op 14 november 2012 tegenover deze rechter-commissaris afgelegde verklaring van de verdachte als getuige in de zaak van medeverdachte R.W.H. Koster: Ik heb de boot, merk Campion Chase 910iSC gekocht in 2006. Ik ben naar de winkel gegaan van [A] . De winkel heet [B] (het hof begrijpt: [B] te [plaats] ). [medeverdachte] (het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte] ) kwam met het voorstel: "Kan ik mijn boot, de 705, niet inruilen op jouw boot". Op de 910 is de 705 ingeruild van [medeverdachte] . De boot heb ik op mijn naam geregistreerd bij het RDW. De betalingen heb ik in deelbetalingen gedaan. Ik heb het contante geld aan [A] gegeven. Ik heb [A] verzocht om als ik een deelbetaling deed, dit aan te tekenen op de aankoopfactuur, zodat ik bewijs had dat ik had betaald en welk bedrag er nog open stond. Ik kreeg van die aantekeningen van de deelbetaling een kopie. 4. Een geschrift, zijnde 9 nota's van [B] te [plaats] (bijlagen bij proces-verbaal met nummer PL1609/08-059761 van de politie Hollands Midden met code G-08-05). Alle nota's bevatten de volgende tekst - zakelijk weergegeven -: Zoeterwoude 2006 [verdachte] 1x Campion Chase 910 Totaalprijs incl. trailer € 142.000,- Inruil campion 705 SC € 52.000,- Totaal € 90.000 Telkens met pen bijgeschreven de volgende bedragen en data 8/5 € 14.000 24/4 € 5.300 14/4 € 14.000 11/4 € 6.000 8/4 € 14.000 6/3 € 6.000 20/2 € 6.000 18/2 € 14.700,- 5. Een geschrift, zijnde een rekeningafschrift van de Rabobank van rekeningnummer [001] op naam van [verdachte] ( […] p. 195). Dit rekeningafschrift bevat de volgende tekst - zakelijk weergegeven -: Datum afschrift 28-03-2008 Rentedatum Omschrijving Bedrag 25-03 PRICEWATERHOUSECOOPERS 2.724,33 BY Salaris Per.03." 2.2.3. Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts het volgende overwogen: "Witwassen kan bewezen worden verklaard wanneer het niet anders kan zijn dan dat voorwerpen -in de eerste plaats: het geld- uit enig misdrijf afkomstig zijn. Om daartoe te kunnen concluderen dient allereerst op grond van wettige bewijsmiddelen een ernstig vermoeden van witwassen te worden aangenomen (stap i). Indien dit ernstig vermoeden wordt aangenomen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld (stap ii). Die herkomst moet vervolgens concreet, min of meer verifieerbaar, en niet op voorhand als volslagen onwaarschijnlijk zijn aan te merken (stap iii). Als de verdachte een zodanige verklaring geeft kan (om desondanks toch tot een veroordeling te komen) van het Openbaar Ministerie worden verlangd daarnaar vervolgens onderzoek te doen (stap iv). Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden (HR 27 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4094; HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787; HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2471 en HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:194). Het hof stelt hiertoe het volgende vast. Uit wettige bewijsmiddelen in het onderliggende strafdossier volgt dat de verdachte een boot heeft gekocht ter waarde van € 142.000,- bij [B] te [plaats] . Een andere boot die ten naam gesteld was van medeverdachte [medeverdachte] , is daarbij ingeruild voor een bedrag van € 52.000,- waardoor er een nog te betalen bedrag resteerde van € 90.000,-. De verdachte heeft in de periode van 18 februari 2006 tot en met 23 juni 2006 genoemd resterend bedrag betaald door middel van een aantal contante betalingen. Het hof stelt vast dat de verdachte de betaling van het geldbedrag van € 90.000,- in een paar maanden tijd, telkens contant en in delen onder de zogenaamde MOT grens (Meldingsplicht ongebruikelijke transacties) heeft verricht. De verdachte heeft verklaard bekend te zijn met de MOT-regeling. Het bedrag van € 90.000,- heeft verdachte in een kluis in België bewaard. Dit valt op aangezien verdachte als belastingadviseur in loondienst in Nederland werkte en daar zijn salaris giraal kreeg uitgekeerd. Gelet op deze feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien is het hof van oordeel dat aan stap (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.