← Nederland

ECLI:NL:HR:2018:698

15 mei 2018 Strafkamer nr. S 15/00352 DOo/EC Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een vonnis van de Rechtbank Den Haag, sector Kanton, van 21 januari 2015, nummer 96/228549-14, in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]

  1. 1Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.M. Lintz, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen. 2Beoordeling van het eerste middel 2.
  2. Het middel klaagt dat het vonnis van de Kantonrechter niet is aangetekend op de wijze als in de wet voorzien. 2.2.
  3. Het procesverloop in deze zaak is weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4 tot en met
  4. De voor de beoordeling van het middel van belang zijnde stukken van het geding zijn weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 14 en
  5. 2.2.
  6. Samengevat gaat het in deze zaak om het volgende. De Kantonrechter in de Rechtbank Den Haag heeft bij - op tegenspraak gewezen - vonnis van 21 januari 2015 de eerder tegen de verdachte uitgevaardigde strafbeschikking vernietigd en de verdachte schuldig verklaard zonder oplegging van straf ter zake een overtreding van de Algemene Plaatselijke Verordening Den Haag
  7. Tegen dit vonnis – waartegen op grond van art. 404, tweede lid aanhef en onder a, Sv geen hoger beroep openstaat – is door de verdachte tijdig beroep in cassatie ingesteld. De Kantonrechter heeft in het proces-verbaal van de terechtzitting wat betreft de uitspraak volstaan met een verwijzing naar een gewaarmerkte aantekening als bedoeld in art. 395a, eerste lid, Sv (een zogenoemd stempelvonnis). In deze aantekening ontbreken – onder meer – de gebezigde bewijsmiddelen en andere gronden voor de bewezenverklaring. 2.
  8. Het vonnis van de Kantonrechter voldoet aldus niet aan de eisen van art. 395, tweede lid, Sv in verbinding met art. 2 Regeling aantekening mondeling vonnis door politierechter, kinderrechter, economische politierechter, de kantonrechter en de enkelvoudige kamer voor behandeling van strafzaken in hoger beroep. Het middel klaagt daarover terecht. 3Slotsom Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het tweede middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist. 4Beslissing De Hoge Raad: vernietigt de bestreden uitspraak; wijst de zaak terug naar de Rechtbank Den Haag, sector Kanton, opdat de zaak op de oproeping als bedoeld in art. 257f Sv opnieuw wordt berecht en afgedaan. Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 mei 2018.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.