← Nederland

ECLI:NL:HR:2018:714

15 mei 2018 Strafkamer nr. S 17/05155 H ARA Hoge Raad der Nederlanden Arrest op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 11 maart 2015, nummer 21/004387-14, ingediend door J.W.H. Peters, advocaat te Amersfoort, namens: [aanvrager] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]

  1. 1De uitspraak waarvan herziening is gevraagd Het Hof heeft in hoger beroep – met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank Gelderland van 16 juli 2014 – de aanvrager ter zake van "medeplegen van opzettelijk overtreden van een in artikel 5 van de Wet op de accijns opgenomen verbod, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een gevangenisstraf van 21 maanden, waarvan 7 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. 2De aanvraag tot herziening De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. 3Beoordeling van de aanvraag 3.
  2. Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid aanhef en onder c van art. 457 Sv slechts dienen een door bescheiden gestaafd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling. 3.
  3. In de aanvraag wordt aangevoerd dat het Hof de aanvrager zou hebben vrijgesproken van een groot deel van de aan hem tenlastegelegde feiten, indien het bekend was geweest met de verklaring over een opgevangen gesprek zoals [betrokkene 1] die op 29 augustus 2017 blijkens de daarvan opgemaakte akte tegenover een notaris heeft afgelegd. Het aangevoerde kan echter niet een ernstig vermoeden wekken als hiervoor onder 3.1 vermeld, reeds omdat uit die verklaring niet blijkt dat het gesprek dat [betrokkene 1] heeft opgevangen tussen [betrokkene 2] en een tweede persoon, ziet op de bij de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd ten laste van de aanvrager bewezenverklaarde feiten. De overige ter duiding van bedoelde verklaring bij de aanvraag gevoegde stukken maken dat noch op zichzelf noch in onderling verband beschouwd anders. 3.
  4. Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat de aanvraag kennelijk ongegrond is, zodat als volgt moet worden beslist. 4Beslissing De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af. Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 mei 2018.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.