HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 18/00854 Datum 1 oktober 2019 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 21 februari 2018, nummer 21/002464-17, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964, hierna: de verdachte. 1Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat te Arnhem, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 2Beoordeling van het middel 2.1 Het middel klaagt over de verwerping door het Hof van het verweer dat de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij is verjaard. 2.2.1 Het Hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat: “1: hij in de periode van 30 september 2003 tot en met 2 mei 2007 te Amsterdam en ’s-Heerenberg en Arnhem en Nijmegen telkens geschriften, weten: - een factuur d.d. 30 september 2003 van de Postbank N.V. aan [A] ten bedrage van € 7.735,- en - een factuur d.d. 30 september 2003 van de Postbank N.V. aan [B] ten bedrage van € 15.740,- en - een factuur d.d. 30 september 2003 van Postbank N.V. aan [F] ten bedrage van € 4.819,50 en - een factuur d.d. 30 september 2003 van de Postbank N.V. aan [F] ten bedrage van € 819,50 en - een factuur d.d. 3 jun 2004 van de Postbank N.V. aan [B] ten bedrage van € 15.740,- en - een factuur d.d. 29 juli 2004 van de Postbank N.V. aan [D]. ten bedrage van € 7.735,- en - een factuur d.d. 13 september 2004 van de Postbank N.V. aan Stichting [E] ten bedrage van € 7.735,- en/of - een factuur d.d. 18 mei 2005 van de Postbank N.V. aan [B] ten bedrage van € 5.950,- en - een factuur d.d. 28 juni 2005 van de Postbank N.V. aan [D]. ten bedrage van € 6.545,- en - een factuur d.d. 18 november 2005 van de Postbank N.V. aan [G] ten bedrage van € 6.604,50 en - een factuur d.d. 7 juni 2006 van de Postbank N.V. aan [D]. ten bedrage van € 4,313,75 en - een factuur d.d. 3 april 2007 van de Postbank N.V. aan [C] ten bedrage van € 8.330,- en - een factuur d.d. 1 april 2007 van de Postbank N.V. aan [D]. ten bedrage van € 3.123,75 zijnde telkens geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, heeft vervalst, immers heeft hij, verdachte, telkens in strijd met de waarheid op voornoemde geschriften het rekeningnummer van de begunstigde Postbank N.V. gewijzigd in zijn, verdachtes, (giro)rekeningnummer [rekeningnummer], zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken; 2: hij in de periode van 30 september 2003 tot en met 2 mei 2007 te Amsterdam en ’s-Heerenberg en Arnhem en Nijmegen telkens opzettelijk gebruik heeft gemaakt van vervalste facturen, te weten: - een factuur d.d. 30 september 2003 van de Postbank N.V. aan [A] ten bedrage van € 7.735,- en - een factuur d.d. 30 september 2003 van de Postbank N.V. aan [B] ten bedrage van € 15.740,- en - een factuur d.d. 30 september 2003 van Postbank N.V. aan [F] ten bedrage van € 4.819,50 en - een factuur d.d. 30 september 2003 van de Postbank N.V. aan [F] ten bedrage van € 4.819,50 en - een factuur d.d. 3 juni 2004 van de Postbank N.V. aan [B] ten bedrage van € 15.740,- en - een factuur d.d. 29 juli 2004 van de Postbank N.V. aan [D]. ten bedrage van € 7.735,- en - een factuur d.d. 13 september 2004 van de Postbank N.V. aan Stichting [E] ten bedrage van € 7.735,- en/of - een factuur d.d. 18 mei 2005 van de Postbank N.V. aan [B] ten bedrage van € 5.950,- en - een factuur d.d. 28 juni 2005 van de Postbank N.V. aan [D]. ten bedrage van € 6.545,- en - een factuur d.d. 18 november 2005 van de Postbank N.V. aan [G] ten bedrage van € 6.604,50 en - een factuur d.d. 7 juni 2006 van de Postbank N.V. aan [D]. ten bedrage van € 4,313,75 en - een factuur d.d. 3 april 2007 van de Postbank N.V. aan [C] ten bedrage van € 8.330,- en - een factuur d.d. 1 april 2007 van de Postbank N.V. aan [D]. ten bedrage van € 3.123,75 zijnde telkens geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen als ware die geschriften telkens echt en onvervalst.” 2.2.2 Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich een ‘Voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces’ van de benadeelde partij ING Groep N.V. met bijlagen, dat is ondertekend op 23 januari 2009 en blijkens een daarop aangebrachte stempel is binnengekomen bij de Officier van Justitie te Amsterdam op 11 februari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.