HOGE RAAD DER NEDERLANDEN CIVIELE KAMER Nummer 18/05373 Datum 11 oktober 2019 BESCHIKKING In de zaak van [verzoeker],wonende te [woonplaats], Verenigde Arabische Emiraten, VERZOEKER tot cassatie, hierna: [verzoeker], advocaat: mr. J. van Weerden, tegen 1. Jan Evert STADIG,kantoorhoudende te 's-Hertogenbosch, 2. Philip Willem SCHREURS, kantoorhoudende te Eindhoven, in hun hoedanigheid van curatoren in het faillissement van [verzoeker], VERWEERDERS in cassatie, hierna gezamenlijk: de curatoren, advocaat: mr. M.A.J.G. Janssen. 1. Procesverloop Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/01/260045/FT RK 13/363 van de rechtbank Oost-Brabant van 12 december 2018. [verzoeker] heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. De curatoren hebben een incidenteel verzoek tot zekerheidstelling voor de proceskosten ingediend. [verzoeker] heeft verzocht de curatoren in het incidentele verzoek niet-ontvankelijk te verklaren althans dit verzoek af te wijzen. De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot toewijzing van het incidentele verzoek tot zekerheidstelling voor de proceskosten. 2Uitgangspunten en feiten 2.1 [verzoeker] is op 16 april 2013 failliet verklaard. In het faillissement zijn de curatoren in die hoedanigheid aangesteld. [verzoeker] woont te [woonplaats], Verenigde Arabische Emiraten. 2.2 [verzoeker] heeft op grond van art. 69 Fw drie afzonderlijke verzoeken aan de rechter-commissaris in het faillissement gedaan, te weten een “Verzoek artikel 69 Faillissementswet inzage administratie”, “Verzoeken ex artikel 69 Faillissementswet inzake urenverantwoording” en “Verzoeken ex artikel 69 Faillissementswet betreffende inlichtingenplicht”. De rechter-commissaris heeft, bij drie afzonderlijke faxberichten aan [verzoeker], de verzoeken afgewezen. [verzoeker] heeft daartegen drie beroepschriften op grond van art. 67 Fw ingediend. De rechtbank heeft het hoger beroep van [verzoeker] in de drie zaken ongegrond verklaard. 3Beoordeling van het incidentele verzoek 3.1.1 De curatoren verzoeken op de voet van art. 414 Rv in verbinding met art. 224 Rv [verzoeker] te veroordelen om zekerheid te stellen voor de proceskosten van het geding in cassatie. Zij leggen daaraan ten grondslag dat [verzoeker] woont te [woonplaats], Verenigde Arabische Emiraten, dat in Nederland geen verhaal op [verzoeker] mogelijk is voor de proceskosten in cassatie waarin [verzoeker] mogelijk zal worden veroordeeld, en dat de Verenigde Arabische Emiraten geen partij zijn bij het Haags Rechtsvorderingsverdrag 1954 en uit de aard der zaak buiten de reikwijdte van EU-verordeningen vallen. 3.1.2 [verzoeker] heeft als verweer aangevoerd: - dat de curatoren niet hebben gesteld dat hij een vordering heeft ingesteld of zich heeft gevoegd of is tussengekomen; - dat hij als de oorspronkelijke verweerder moet worden beschouwd, aangezien hij zich steeds tegen het faillissement heeft verzet, dus steeds verweerder is gebleven en in die hoedanigheid zijn rechten uit de art. 67 en 69 Fw heeft uitgeoefend; - dat een veroordeling tot zekerheidstelling zijn toegang tot de rechter te zeer zou beperken. 3.2.1 Art. 224 lid 1 Rv bepaalt, voor zover thans van belang, dat allen zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland die bij een Nederlandse rechter een vordering instellen of zich voegen of tussenkomen in een geding alhier, verplicht zijn op vordering van de wederpartij zekerheid te stellen voor de proceskosten tot betaling waarvan zij veroordeeld zouden kunnen worden. De strekking van deze bepaling is te voorkomen dat een in het gelijk gestelde gedaagde wordt geconfronteerd met oninbaarheid van een proceskostenveroordeling als gevolg van het ontbreken van de mogelijkheid tot tenuitvoerlegging daarvan in het land waar de eiser zijn woonplaats heeft. 3.2.2 Mede gelet op de hiervoor in 3.2.1 genoemde strekking van art. 224 Rv moet worden aangenomen dat art. 224 Rv van overeenkomstige toepassing is op andere op geschilbeslechting gerichte procedures dan de dagvaardings- of vorderingsprocedure. Ingevolge die overeenkomstige toepassing kan degene die het geding aanvangt ook in andere op geschilbeslechting gerichte procedures gehouden zijn zekerheid te stellen. Op grond van art. 353 lid 2 Rv en art. 414 leden 2 en 3 Rv kan in hoger beroep, respectievelijk cassatie alleen zekerheid worden verlangd van de partij die (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.