8 februari 2019 Nr. 18/00136 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 november 2017, nr. 17/00399, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 16/4915) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2013 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 1Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 8 november 2018 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2018:1267). Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd. 2Beoordeling van de klacht 2.
- In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. 2.1.
- Belanghebbende heeft bij [A] N.V. (hierna: [A]) een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule afgesloten met als ingangsdatum 29 december 1989 en als einddatum 29 december
- Op de einddatum beliep het verzekerd kapitaal € 65.
- Belanghebbende heeft voor dat bedrag geen lijfrente aangekocht. In 2015 heeft [A] aan belanghebbende bericht dat het bedrag van € 65.345 zou worden uitgekeerd onder inhouding van € 33.979 loonbelasting en premie volksverzekeringen. [A] heeft ter zake niets afgedragen aan de Belastingdienst. 2.1.
- Belanghebbende heeft voor het jaar 2013 aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van negatief € 2.
- Belanghebbende heeft in zijn aangifte geen ingehouden loonbelasting en premie volksverzekeringen vermeld. 2.1.
- De Inspecteur heeft als belastbaar inkomen uit werk en woning aangemerkt een fictieve afkoop van lijfrente van € 65.
- Aan belanghebbende is voor het jaar 2013 een aanslag IB/PVV opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 63.
- 2.
- Voor het Hof was in geschil of belanghebbende het bedrag van € 33.979 dat door [A] met de uitkering van het verzekerde kapitaal is verrekend onder vermelding van “Loonbelasting en premies volksverzekeringen”, kan verrekenen met de verschuldigde IB/PVV voor het jaar
- Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende op die verrekening geen recht heeft. 2.
- Tegen de hiervoor in 2.2 vermelde oordelen is de klacht gericht. De klacht voert aan dat het Hof heeft miskend dat indien inhouding loonbelasting is vermeld in een opgaaf zoals [A] die stuurde, alleen al op grond daarvan die loonbelasting moet worden afgedragen zoals dat ook geldt bij de vermelding van omzetbelasting, en voor de inkomstenbelasting als ingehouden loonheffing moet worden aangemerkt. 2.
- De klacht ziet er aan voorbij dat een bepaling als artikel 37 van de Wet op de omzetbelasting 1968 niet is opgenomen in de Wet op de loonbelasting
- Het bedrag dat belanghebbende als ingehouden loonheffing wil verrekenen, is in 2015 door [A] achtergehouden bij de uitbetaling aan belanghebbende van het verzekerde bedrag. Zo al sprake is van ingehouden loonheffing, is die loonheffing niet ingehouden ter zake van de fictieve uitkering in 2013 en daarom niet in 2013 als voorheffing verrekenbaar. Op grond van het voorgaande kan de klacht niet tot cassatie leiden. 3Proceskosten De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. 4Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren J.A.C.A. Overgaauw, M.A. Fierstra, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2019.