HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 18/00565 Datum 17 december 2019 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 5 februari 2018, nummer 20/001620-16, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975, hierna: de verdachte. 1Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.De raadslieden hebben daarop schriftelijk gereageerd. 2Samenvatting Het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft de verdachte bij arrest van 5 februari 2018 wegens een moord gepleegd in Kaatsheuvel in 2010 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig jaren. In het opsporingsonderzoek was sprake van undercover optreden door politieambtenaren, dat wil zeggen dat politieambtenaren met de verdachte in contact traden zonder dat zij zich als opsporingsambtenaar bekend maakten. Tegenover deze politieambtenaren heeft de verdachte verklaard dat hij [slachtoffer] met een steen op het hoofd heeft geslagen en haar daarna heeft gewurgd. In deze cassatieprocedure gaat het met name om de vraag of die verklaring van de verdachte in zijn strafzaak mag worden gebruikt. Het Hof heeft over het undercoveroptreden het volgende vastgesteld. Tijdens de in september 2013 aangevangen undercoveroperatie hebben diverse zakelijke en sociale contacten plaatsgevonden, waardoor een vertrouwensband tussen de verdachte en de politieambtenaren is ontstaan. Aan de verdachte is een “wellicht niet geheel legale baan” aangeboden bij een fictief beveiligingsbedrijf, met als voorwaarde dat hij opening van zaken zou geven omtrent de verdenking ter zake van zijn betrokkenheid bij de dood van [slachtoffer] . Hij zou IT-werkzaamheden moeten verrichten tegen onder meer een salaris van € 8.000,- per maand en hij zou ook andere klussen kunnen doen die geld zouden opleveren. Uiteindelijk is de verdachte uitgenodigd om in september 2014 naar Spanje te komen, waar hij op 18 september 2014 onder meer ten overstaan van één van de politieambtenaren, die zich voordeed als de baas, de voor het bewijs gebruikte bekennende verklaring heeft afgelegd.Deze opsporingsmethode wordt ook wel de ‘Mr. Big’-methode genoemd, een benaming die uit Canada afkomstig is. Die ‘Mr. Big’-methode is niet een eenduidige, nauw omlijnde opsporingsmethode. Het gaat om een algemene en globale aanduiding voor een operatie waarbij een belangrijke rol speelt het heimelijk optreden van de politie dat is gericht op het winnen van het vertrouwen van de verdachte teneinde deze ertoe te brengen een bekentenis af te leggen aan de politieambtenaren. Er kan geen algemeen en eenduidig juridisch antwoord worden gegeven op de vraag of ‘Mr. Big’ als opsporingsmethode wel of niet toelaatbaar is. De Hoge Raad oordeelt in dit arrest over het specifieke optreden van de politieambtenaren in deze zaak en over de vraag of het gebruik van de verklaringen van de verdachte voor het bewijs in overeenstemming is met het recht. Bij deze beoordeling gaat het vooral om de vraag of de verklaringsvrijheid van de verdachte is geschonden. De Hoge Raad komt in dit arrest tot het oordeel dat de veroordeling van de verdachte niet in stand kan blijven, omdat het oordeel van het Hof dat de verklaringsvrijheid van de verdachte is gerespecteerd, niet toereikend is gemotiveerd. Daarbij heeft de Hoge Raad gelet op het verloop van het opsporingstraject en de bemoeienis die de politieambtenaren hebben gehad met wezenlijke onderdelen van de door de verdachte afgelegde verklaring. Het Hof heeft ook onvoldoende aandacht besteed aan de vraag of de verslaglegging van het verloop van het opsporingstraject als geheel op juiste wijze heeft plaatsgevonden. De uitspraak van het Hof wordt daarom vernietigd. De zaak zal door het Gerechtshof Den Haag opnieuw worden onderzocht en beoordeeld. 3Tenlastelegging, bewezenverklaring en bewijsvoering 3.1 Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat: “hij op 19 december 2010 te Kaatsheuvel, gemeente Loon op Zand, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg: die [slachtoffer] (met kracht) met een steen op haar hoofd geslagen, en (vervolgens) de hals van die [slachtoffer] dichtgeknepen en/of dichtgedrukt en (gedurende enige tijd) dichtgeknepen/dichtgedrukt gehouden, en de mond van die [slachtoffer] (gedurende enige tijd) dichtgedrukt en aldus die [slachtoffer] (gedurende enige tijd) de ademhaling belemmerd en/of onmogelijk gemaakt, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden.” 3.2.1 Deze bewezenverklaring steunt op onder meer de volgende bewijsmiddelen: “1. het proces-verbaal ‘relaas van onderzoek’ (pg. 14 - 15), inhoudende, als relaas van verbalisant [verbalisant 1] : Op zondag 19 december 2010 omstreeks 00.54 uur werd telefonisch bij de meldkamer van politie gemeld, dat er een inbraak was gepleegd in een woning gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats]. Er zou volgens de melder een vrouw zonder ademhaling in de achtertuin op de grond liggen. De melding werd gedaan door [verdachte] (verdachte), de partner van het slachtoffer. Een aantal politie-eenheden ging naar het opgegeven adres. Zij troffen de melder [verdachte] aan. In de achtertuin werd het lichaam aangetroffen van de nader als slachtoffer te noemen [slachtoffer] . Er kwam bloed uit de mond en het linkeroor van het slachtoffer. Er werden levensreddende handelingen gestart. Deze werden even later door de inmiddels ter plaatse gekomen ambulanceverpleegkundigen gestaakt, nadat door een verpleegkundige de dood van [slachtoffer] was vastgesteld. De personalia van het slachtoffer luiden: [slachtoffer] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976, bij leven samen met [verdachte] en hun twee kinderen gewoond hebbende op het adres [a-straat 1] te [plaats]. (...) 6. het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut met het opschrift ‘Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke dood’ en het daarbij behorende verslag van de uit- en inwendige schouwing (pg. 4004 - 4016), inhoudende, als verklaring van de deskundige dr. V. Soerdjbalie-Maikoe: Overledene: [slachtoffer] , geboren [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats] (...) 7. het proces-verbaal onderzoek slachtoffer en lijkschouw (pg. 3934 - 3942), inhoudende als relaas van de verbalisanten [verbalisant 5] , [verbalisant 6] en [verbalisant 7] : (pg. 3934) Op 19 december 2010 werd in de achtertuin van het perceel [a-straat 1] te Kaatsheuvel het levenloze lichaam van een vrouw aangetroffen. Deze vrouw bleek door een geweldsmisdrijf om het leven te zijn gekomen. Op 19 december 2010 werd een aanvang gemaakt met het onderzoek aan het lichaam van het slachtoffer. (pg. 3939) Bemonstering hals SIN AACQ1456NL Door mij, [verbalisant 5] , werd de hals van het slachtoffer bemonsterd op de eventuele aanwezigheid van contactsporen. 8. het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut met het opschrift ‘Onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van een stoffelijk overschot in Kaatsheuvel op 19 december 2010’ (pg. 4058 - 4067), inhoudende, als verklaring van de deskundige drs. H.N. Bauer: (pg. 4062) Onderzoek naar biologische sporen Bemonsteringen AACQ1456NL van de hals van het slachtoffer [slachtoffer] . De bemonsteringen zijn veiliggesteld als AACQ1456NL#01 en #02 voor een DNA-onderzoek. (pg. 4064) Tabel 3 Resultaten, interpretatie en conclusie vergelijkend DNA-onderzoek De bemonsteringen AACQ1456NL#01 en #02 van de hals van het slachtoffer [slachtoffer] bevatten celmateriaal dat afkomstig kan zijn van het slachtoffer [slachtoffer] en [verdachte] . De berekende frequentie of matchkans van het DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard. (...) 11. het proces-verbaal van bevindingen informatie-inwinner [verbalisant 2] (pg. 6012 - 6019), inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] : (pg. 6014) Op 18 september 2014 omstreeks 22.15 uur zijn wij [hof: verbalisant [verbalisant 2] en de verdachte] door een taxi opgehaald. (pg. 6015) Ik zag dat de verdachte vooroverboog en met zijn hoofd op zijn knieën ging zitten waarbij hij zijn handen naast zijn hoofd hield. Ik zag dat hij begon te snikken en ik hoorde dat hij mij vroeg of ik of [verbalisant 3] echt voor een oplossing konden zorgen en dat [betrokkene 1] het niet mocht weten. Ik hoorde dat hij met bevende stem en geëmotioneerd zei: “Ik heb het gedaan.” Verdachte pakte mij vast om mijn schouder en pakte mijn hand vast. Ik heb samen met verdachte daarbij zitten huilen. Ik vroeg aan verdachte wat hij gedaan had waarop hij antwoordde dat hij haar vermoord had en dat hij haar gewurgd had. Verdachte vertelde dat hij er nooit een streep onder had kunnen zetten en ik zei hem dat ik dat wel begreep en dat dit al die tijd wel vreselijk zwaar voor verdachte moet zijn geweest. Ik, verbalisant, zag dat verdachte hierop knikte. (pg. 6016) Verdachte vertelde hierop dat hij graag terug wilde om opnieuw een gesprek aan te gaan met [verbalisant 3] , maar dat hij wel wilde dat ik bij dat gesprek aanwezig was. Verdachte vertelde hierop dat hij wel opgelucht was dat hij het verteld had, omdat hij er nooit een streep onder had kunnen zetten en dat hij nu wel over een gebergte heen had moeten stappen om het te vertellen. Omstreeks 22.45 uur arriveerden wij bij de villa. Verdachte heeft daar samen met mij en [verbalisant 3] een gesprek gevoerd. Nadat [verbalisant 3] en ik waren gaan zitten bleef verdachte tegenover ons staan, waarbij hij zijn handen tegen elkaar ter hoogte van zijn gezicht hield, zich richtte tot [verbalisant 3] en begon met de woorden: “Dit is het gebed van mijn leven. Ik heb het gedaan, ik heb haar vermoord.” Ik, verbalisant, heb me bij het gesprek grotendeels afzijdig gehouden en het gesprek aangehoord, waarbij ik af en toe in het gesprek inbrak. Verdachte vertelde, nadat door verbalisant [verbalisant 3] was gevraagd hoe het gebeurd was, dat hij met zijn vrouw naar een feest van de carnavalsvereniging was geweest en dat hij eerder weg was gegaan. Dat hij thuis gekomen zijn schoonvader had afgelost, die op de kinderen paste. Verder vertelde verdachte dat hij zijn vrouw in de tuin had op staan wachten. Verdachte vertelde dat hij zijn toenmalige vrouw met een baksteen eerst KO had geslagen, zoals verdachte de term letterlijk gebruikte, waarna hij haar gewurgd had. Ik, verbalisant, zag dat verdachte strak voor zich uitkeek en ik hoorde dat hij met een zachte en bevende stem sprak. De inbraak had hij eerst ervoor al in scene willen zetten, maar hij had dat na de moord pas gedaan. Ik hoorde, nadat er door verbalisant [verbalisant 3] naar was gevraagd, dat verdachte de baksteen uit de brandgang had gehaald. (pg. 6017) Ik vroeg aan verdachte of zijn vrouw hem niet herkend had, waarop verdachte zei dat hij een bril had gedragen. Verdachte vertelde verder dat hij laarzen had gekocht, speciaal voor de moord. Verdachte vertelde dat hij opgelucht was, nu hij het een en ander verteld had. Omstreeks 23.20 uur ben ik met verdachte door verbalisant [verbalisant 4] naar het hotel gebracht. Onderweg vertelde verdachte opnieuw dat hij heel opgelucht was, waarop hij aan mij vroeg of we nog iets konden gaan drinken. Verdachte vertelde: “Ik heb het bewust gedaan. Dit is moord met voorbedachten rade.” (pg. 6018) Verdachte vertelde ongevraagd tegen mij dat hij nog wel toneel had gespeeld. Ik vroeg hem wat hij daarmee bedoelde. Verdachte vertelde dat hij, toen de politie binnenkwam, had zitten huilen. Hij had hierop gezegd dat hij per se zijn vrouw nog wilde zien en bij haar wilde gaan liggen. Verdachte vertelde hierop dat hij op of tegen zijn vrouw was gaan liggen en dat hij haar opzettelijk had vastgepakt om sporen van de plaats delict te wissen dan wel te vermengen en om er zo voor te zorgen dat DNA van haar op hem zat. (pg. 6019) Ik vroeg waarom verdachte zijn vrouw had vermoord, waarop hij antwoordde dat hij de ellende, stress, alimentatie en alle problemen die een eventuele scheiding met zich mee zouden kunnen brengen, niet aankon en dat hij daaraan helemaal niet wilde denken of wilde beginnen. 12. het proces-verbaal van bevindingen van informatie-inwinner [verbalisant 3] (pg. 6020 - 6027), inhoudende, als relaas van verbalisant [verbalisant 3] : (pg. 6024) Op 18 september 2014, omstreeks 22.35 uur, hoorde ik van [verbalisant 4] dat [verbalisant 2] en de verdachte terug waren bij de woning. [verbalisant 2] zei dat de verdachte mij wat wilde vertellen maar ook had verzocht of [verbalisant 2] daarbij kon zijn. Ik vertelde hen dat niet erg te vinden. De verdachte bleef staan en was zichtbaar gespannen. Hij liep heen en weer en op een gegeven moment deed hij zijn open handpalmen als bij een gebed tegen elkaar voor zijn borst. Met deze ‘bidhouding’ keek hij mij aan en bleef stil staan. Hij noemde mij bij mijn naam en zei: “ [B] , ik wil bij jou het gebed van mijn leven doen. Ik heb het gedaan.” Ik keek de verdachte aan en vroeg: “Hoe?” “Met een baksteen”, antwoordde de verdachte. De verdachte zei: “Ik heb mijn vrouw met een baksteen KO geslagen en daarna gewurgd.” (pg. 6025) De verdachte gaf desgevraagd de volgende antwoorden: de verdachte was met zijn vrouw destijds op een feest van de carnavalsvereniging; de verdachte was bewust eerder naar huis gegaan om zijn schoonvader af te lossen; de verdachte de gedachte had eerst het huis te willen prepareren maar daar later op terug kwam; de verdachte het slachtoffer had opgewacht in de tuin; de verdachte een straatklinker had gepakt, en zijn vrouw de hersens in had geslagen; de verdachte vervolgens het op de grond liggende slachtoffer heeft gewurgd; de verdachte naar binnen is gelopen en de woning heeft geprepareerd omdat het op een inbraak moest lijken; de verdachte de laatjes en deurtjes open heeft gezet; de verdachte daarna 112 heeft gebeld met de mededeling dat zijn vrouw in de tuin op de grond lag; de verdachte nieuwe laarzen had gekocht en met kleding had weggemaakt.” 3.2.2 Het Hof heeft ten aanzien van de bewijsvoering voorts het volgende overwogen: “Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich zowel in eerste aanleg als in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde niet bewezen kan worden. Daartoe is het volgende aangevoerd. (...) Ten aanzien van het onderzoek Eem II: De resultaten van dit onderzoek moeten vanwege de onrechtmatigheid ervan geheel worden uitgesloten van het bewijs. Ter onderbouwing van dit standpunt stelt de verdediging primair dat aan de inzet van het opsporingsmiddel stelselmatige informatie-inwinning zodanige gebreken kleven dat de enige juiste conclusie kan en moet zijn dat dit gehele traject van het bewijs wordt uitgesloten. De verdediging wijst hiertoe onder meer op de onrechtmatigheid van de inzet van dit opsporingsmiddel, de schending van de verbaliseringsplicht en het gebrek aan transparantie en toetsbaarheid. Voorts stelt de verdediging zich op het standpunt dat aan de afgelegde bekentenis van de verdachte geen enkele bewijswaarde toekomt. Valse bekentenissen bestaan en de bekennende verklaring van de verdachte dient in onderhavig geval ook als zodanig te worden beschouwd, nu verdachte er door het WOD-team is ingeluisd. In dit kader wijst de verdediging tevens op de door haar ingebrachte rapporten van prof. dr. T. Derksen. De enige juiste beslissing is volgens de verdediging dat de verdachte wordt vrijgesproken van hetgeen hem ten laste is gelegd. Voorwaardelijk heeft de verdediging verzocht de vroegere werkgever van de verdachte als getuige te horen over de aanleiding om het arbeidscontract van de verdachte niet te verlengen. Meer subsidiair, indien het hof het WOD-traject niet onrechtmatig acht, komt de verdediging tot de conclusie dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs uit het dossier naar voren komt, omdat het dossier de volle ruimte laat voor de aanwezigheid van alternatieve scenario’s. De moord is door een ander gepleegd. Deze persoon heeft het fatale geweld op [slachtoffer] toegepast en voorafgaand of vervolgens de inbraak gepleegd. Ten slotte wijst de verdediging op contra-indicaties voor het scenario dat de verdachte de dader is. Ook in dit geval kan slechts vrijspraak volgen, aldus de verdediging. Voorwaardelijk heeft de verdediging verzocht de CIE-informant als getuige te horen over diens uitlatingen dat twee door deze informant met naam en toenaam genoemde mannen bij een woninginbraak door de bewoonster zijn overlopen en dat deze vrouw daarbij is gedood. (...) Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs (...) Eem II Nadat de verdachte in juni 2011 uit zijn voorlopige hechtenis was geschorst, heeft de officier van justitie na ongeveer twee jaar het onderzoek naar de dood van [slachtoffer] hervat onder de naam Eem II. In dit onderzoek is overgegaan tot de inzet van de bijzondere opsporingsbevoegdheid van artikel 126j Sv: de stelselmatige inwinning van informatie. Het juridisch kader In artikel 126j Sv is de bevoegdheid geregeld die wordt aangeduid als stelselmatige inwinning van informatie. Het artikel bepaalt dat de officier van justitie bevoegd is te bevelen dat een opsporingsambtenaar in het belang van het onderzoek stelselmatig informatie inwint over de verdachte, zonder dat kenbaar is dat hij optreedt als opsporingsambtenaar. Blijkens de wetsgeschiedenis kan een opsporingsambtenaar dit doen door stelselmatig in de omgeving van de verdachte te verkeren en aan activiteiten en gesprekken deel te nemen, waaraan ook de verdachte of personen uit de directe omgeving van de verdachte deelnemen. Bij deze vorm van opsporing kan dus niet alleen de privacy van de betrokken burgers in het geding zijn, maar kan tevens sprake zijn van misleiding: de burger weet niet dat de persoon met wie hij van doen heeft, een vertegenwoordiger van de overheid is. De opsporingsambtenaar heeft uitdrukkelijk tot opdracht om op zodanige wijze aanwezig te zijn in de omgeving van de verdachte, dat de verdachte of personen uit de directe omgeving van de verdachte met hem contacten onderhouden zonder dat zij weten dat zij met een opsporingsambtenaar van doen hebben. De opsporingsambtenaar observeert dus niet alleen, maar interfereert actief in het leven van de verdachte. Hij gaat daarbij verder dan alleen waarnemen of luisteren. Gelet op de stelselmatigheid waarmee dit kan gebeuren, kan deze bevoegdheid een inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. Uit de wetsgeschiedenis blijkt voorts dat het inzetten van een SI-traject zijn rechtvaardiging vindt in het grote maatschappelijke belang dat is gediend bij de opsporing van misdrijven die een ernstige inbreuk maken op de rechtsorde, hetzij door hun gewelddadige karakter, hetzij door hun grote omvang en gevolgen voor de samenleving, doch waar regulier openlijk onderzoek onvoldoende resultaat heeft of belooft te hebben. In de praktijk is de uitvoering van deze bevoegdheid thans ondergebracht bij het team Werken onder Dekmantel van de Afdeling Afgeschermde Operaties van de Landelijke Eenheid (hierna: WOD). Onrechtmatig verkregen bewijs als gevolg van toepassing ontoelaatbare opsporingsmethode De verdediging heeft aangevoerd dat tijdens de inzet van de bijzondere opsporingsbevoegdheid van het stelselmatig inwinnen van informatie door de methode van een zogenoemd WOD-traject op de wijze zoals dat in de onderhavige zaak is toegepast, vormverzuimen hebben plaatsgevonden die moeten leiden tot bewijsuitsluiting van het daarmee verkregen bewijsmateriaal. De inzet van het WOD-traject in de onderhavige zaak moet volgens de verdediging in strijd worden geacht met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Volgens de verdediging was de inzet van deze bijzondere opsporingsbevoegdheid in de eerste plaats niet proportioneel omdat een dergelijk ingrijpend opsporingsmiddel niet passend moet worden geacht indien de inzet van andere opsporingsmiddelen - zoals deze in de onderhavige zaak gedurende langere tijd zijn ingezet - niet het gewenste resultaat hebben opgeleverd. In de tweede plaats was de toepassing van deze opsporingsmethode niet voorgelegd ter instemming aan de Centrale Toetsingscommissie, terwijl de ingrijpende aard en uitvoering van de opsporingsbevoegdheid en het ontbreken van een deugdelijke toetsing achteraf daartoe wel noopten. Ten aanzien van het laatstgenoemde aspect speelt volgens de verdediging mee dat in de onderhavige zaak niet voldaan is aan de verbaliseringsplicht. De inzet van de opsporingsbevoegdheid is volgens de verdediging tevens in strijd met het subsidiariteitsbeginsel omdat de verdachte zich blijkens zijn verklaringen niet heeft (kunnen) beroepen op zijn zwijgrecht en derhalve uitgebreid is kunnen worden ondervraagd. Daarbij komt dat er gezien de aangetroffen sporen op en rond de plaats delict voldoende mogelijkheden zijn geweest om op door te rechercheren ten aanzien van de uiteindelijke toedracht van het misdrijf. Dit alles maakt volgens de verdediging dat de inzet van het stelselmatig inwinnen van informatie als bijzondere opsporingsbevoegdheid in de onderhavige zaak in beginsel niet toelaatbaar moet worden geacht. Bij de uitvoering van dit onderdeel van het onderzoek hebben diverse vormverzuimen plaatsgevonden welke, gezien het belang van het geschonden voorschrift (de verklaringsvrijheid van de verdachte), de ernst van de verzuimen die hebben plaatsgevonden (de bewuste inzet van een niet proportioneel en niet subsidiaire bijzondere opsporingsbevoegdheid) en het nadeel dat daardoor is veroorzaakt (een niet in vrijheid afgelegde bekennende verklaring), dienen te leiden tot het uitsluiten van de resultaten van dit onderdeel van het opsporingsonderzoek van het bewijs van het ten laste gelegde in de onderhavige zaak. Subsidiair heeft de verdediging naar voren gebracht dat indien de toepassing van het stelselmatig inwinnen van informatie als bijzondere opsporingsbevoegdheid in de onderhavige zaak wel toelaatbaar wordt geacht, in de onderhavige zaak sprake is van een uitzonderlijke wijze van onderzoek waarbij (in belangrijke mate) gebruik is gemaakt van een in het buitenland als omstreden omschreven methode. Deze methode - de zogenoemde ‘Mr. Big-methode’, waarbij een verdachte door opsporingsambtenaren onder een andere identiteit, dus zonder dat voor de verdachte kenbaar is dat hij optreedt als opsporingsambtenaar (undercover), wordt benaderd om, nadat een zekere vertrouwensrelatie is ontstaan, deze onder voorwaarde van het geven van volledige openheid omtrent zijn bestaande levenswandel, voor hun zogenaamde ‘organisatie’ of bedrijf mag werken - moet gezien de grote druk die onder omstandigheden op de verdachte is gelegd, als ontoelaatbaar worden beschouwd. De verdachte heeft in de onderhavige zaak weliswaar uiteindelijk bekend het ten laste gelegde feit te hebben gepleegd, maar deze bekentenis moet als leugenachtig en vals worden gezien, mede gezien de omstandigheid dat geen van de details van deze bekentenis verifieerbaar blijkt. De valse bekentenis is volgens de verdediging enkel verkregen als gevolg van het uitoefenen van onredelijk grote druk op de verdachte waardoor geen sprake is van een in vrijheid afgelegde verklaring en moet als onbetrouwbaar en derhalve onbruikbaar worden gezien en worden uitgesloten van het bewijs. Het hof stelt ten aanzien van de aangevoerde verweren het volgende. Het hof stelt vast dat tijdens het opsporingsonderzoek naar de gang van zaken rondom de doodslag c.q. moord op [slachtoffer] volgens het openbaar ministerie niet te verwachten viel dat verder onderzoek tot nadere bewijzende aanwijzingen in welke richting dan ook zou leiden. Als gevolg daarvan is besloten tot de inzet van het bijzondere opsporingsmiddel van het stelselmatig inwinnen van informatie in het kader van een WOD-traject. Het stelselmatig inwinnen van informatie via een WOD-traject vond in de onderhavige zaak plaats in de periode september 2013 tot en met oktober 2014. Daarbij hebben opsporingsambtenaren (politiële informanten) zich voorgedaan als gewone burgers (undercover) en contact gezocht met en actief geïnterfereerd in het leven van de verdachte. In hun contacten met de verdachte hebben zij hem aangeboden tegen betaling werkzaamheden voor hen te verrichten (het ontwikkelen van een track and trace-systeem gekoppeld aan een rapportage). De verdachte heeft tijdens de ontstane contacten diverse malen aangegeven zelf eveneens geïnteresseerd te zijn in het verrichten van werkzaamheden voor de informanten. Tijdens de ontstane contacten zijn ook tussentijdse betalingen aan de verdachte gedaan voor reeds verrichte werkzaamheden. Tijdens de onderlinge gesprekken kwamen naast onderwerpen van sociale aard na verloop van tijd ook de doodslag c.q. moord op [slachtoffer] ter sprake en de omstandigheid dat de verdachte daarvoor had vastgezeten. Verdachte heeft na enkele malen te hebben ontkend iets met de dood van [slachtoffer] te maken te hebben gehad, ruim een jaar na het eerste contact met de informanten op 18 september 2014 tijdens een gesprek met een van de informanten bekend de moord te hebben gepleegd. Verdachte heeft diezelfde dag deze bekentenis in het bijzijn van een andere informant herhaald en daarbij aangegeven hoe de moord had plaatsgevonden. Daarbij heeft hij gedetailleerd aangegeven op welke wijze hij de moord had gepleegd en op welke wijze hij heeft getracht zijn betrokkenheid daarbij te verhullen door het ensceneren van een inbraak. Tijdens een aansluitend gesprek op dezelfde dag met een van de informanten heeft verdachte nogmaals bevestigd dat het doden van [slachtoffer] met voorbedachten rade had plaatsgevonden. Op grond van art. 359a jo. 415 lid 1 Sv kan het gerechtshof, indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en de rechtsgevolgen hiervan niet uit de wet blijken, bepalen dat strafvermindering, bewijsuitsluiting of niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie als het rechtgevolg aan het verzuim kan worden verbonden. Dienaangaande geldt dat allereerst dient te worden vastgesteld of er sprake is van een of meer vormverzuimen zoals vermeld in art. 359a Sv. Onder een vormverzuim in de zin van art. 359a Sv wordt verstaan het niet naleven van strafprocesrechtelijke geschreven en ongeschreven vormvoorschriften. Ten aanzien van de inzet van de bijzondere opsporingsbevoegdheid is het hof van oordeel dat de bestaande verdenking van het begaan van het bijzonder ernstige delict ten tijde van het besluit tot het inzetten van het stelselmatig inwinnen van informatie de toepassing van artikel 126j Sv in beginsel rechtvaardigde. Ook beoordeelt het hof de inzet van de bijzondere opsporingsbevoegdheid als passend gezien de omstandigheid dat de inzet van andere opsporingsmiddelen - zoals deze in de onderhavige zaak gedurende langere tijd zijn ingezet - geen resultaat had opgeleverd. Blijkens de wetsgeschiedenis vindt het inzetten van het stelselmatig inwinnen van informatie door opsporingsambtenaren onder een andere identiteit zijn rechtvaardiging in het grote maatschappelijke belang dat is gediend bij de opsporing van misdrijven die een ernstige inbreuk maken op de rechtsorde, hetzij door hun gewelddadige karakter, hetzij door hun grote omvang en gevolgen voor de samenleving, doch waar regulier openlijk onderzoek onvoldoende resultaat heeft of belooft te hebben. Voor een dergelijke vorm van informatie-inwinning is een bevel van de officier van justitie vereist en dat vormt een waarborg dat van deze bevoegdheid niet lichtzinnig gebruik wordt gemaakt. Bij de keuze voor het toepassen van deze opsporingsbevoegdheid komt de officier van justitie beleidsvrijheid toe. Het hof concludeert aan de hand van in het procesdossier opgenomen stukken dat het besluit tot het toepassen van de bijzondere opsporingsbevoegdheid in de onderhavige zaak op juiste wettelijke grondslag, zijnde art. 126j Sv, is gestoeld en aan de daarbij te stellen voorwaarden is voldaan. Immers, ten tijde van het afgegeven bevel stelselmatige inwinning van informatie van 31 juli 2013 en de daarop volgende verlengingen bestond er een verdenking ter zake van een misdrijf als bedoeld in art. 126j lid 1 Sv en kon de officier van justitie in redelijkheid tot afgifte van het bevel tot stelselmatig inwinnen van informatie over de verdachte beslissen. De verdenking bestond uit het begaan van een doodslag/moord op [slachtoffer] , de toenmalige partner van de verdachte en de moeder van hun twee jonge kinderen, gevolgd door het ter verhulling in scene zetten van een (poging tot) diefstal uit de woning, gepleegd in de nachtelijke uren terwijl de bewoners in de woning lagen te slapen. De bijzondere ernst van het betreffende misdrijf rechtvaardigt de toepassing van de betreffende opsporingsbevoegdheid mede gezien de omstandigheid dat andere wijzen van opsporing redelijkerwijs, mede met het oog op de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit, niet meer voorhanden waren. Dat de toepassing van deze opsporingsmethode voorafgaand niet is voorgelegd noch achteraf is getoetst door de Centrale Toetsingscommissie - een intern adviesorgaan van het openbaar ministerie - acht het hof niet strijdig met de bestaande regelgeving. De vigerende regelgeving aangaande de eventuele betrokkenheid van de CTC ten aanzien van de inzet van bijzondere opsporingsbevoegdheden - onder verwijzing naar de Aanwijzing opsporingsbevoegdheden - vereist niet dat de CTC de inzet van stelselmatig inwinnen van informatie voorafgaand beoordeelt of achteraf toetst. Dat de uitwerking van de inzet van het stelselmatig inwinnen van informatie in de onderhavige zaak voor wat betreft de wijze waarop is geverbaliseerd, noopte tot toetsing achteraf door de CTC, vermag het hof niet in te zien. De opsporingsambtenaar die fungeert als politiële informant zal een proces-verbaal moeten opmaken waarin de voor de zaak relevante gegevens (zowel in ontlastende als belastende zin) staan gerelateerd en dit proces-verbaal moet bij de processtukken worden gevoegd. Het hof heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting en in het zaaksdossier geen aanwijzingen aangetroffen die aanleiding geven te twijfelen aan de inhoud van de processen-verbaal, noch aan het feit dat de verbaliseringsplicht zoals opgenomen in art. 152 Sv (en nader ingevuld in de Aanwijzing opsporingsbevoegdheden) en hetgeen is bepaald in art. 126aa Sv, in de onderhavige zaak op enigerlei wijze zou zijn geschonden. Het hof onderschrijft op grond van het bovenstaande dan ook niet de stelling van de verdediging dat tijdens het opsporingsonderzoek niet voldaan is aan het vereiste van proportionaliteit en subsidiariteit. Subsidiair acht de verdediging de inzet van de toegepaste opsporingsmethode ontoelaatbaar omdat ten tijde van de onderlinge contacten tussen verdachte en de informanten, gezien de omstandigheden waaronder deze gesprekken plaatsvonden, onredelijk grote druk op de verdachte is gelegd waardoor deze uiteindelijk een valse bekentenis heeft afgelegd. Doordat de valse bekentenis is verkregen als gevolg van het uitoefenen van onredelijk grote druk op verdachte door middel van een discutabele bijzondere opsporingsmethode, is er volgens de verdediging geen sprake van een in vrijheid afgelegde verklaring en moet de bekentenis als onbetrouwbaar en derhalve onbruikbaar worden gezien en worden uitgesloten van het bewijs. Het hof stelt hierover het volgende. De kern van de onderhavige zaak is het antwoord op de vraag of door het toepassen van de methode via een zogenoemd WOD-traject op de wijze zoals in de onderhavige zaak aangewend, (een) vormverzuim(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.