HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 18/05272 Datum 20 december 2019 ARREST in de zaak van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 november 2018, nr. 18/00149, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 17/3485) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2014 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 1Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. De Advocaat-Generaal Niessen heeft op 30 september 2019 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2019:973). Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd. 2Beoordeling van de klachten 2.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. 2.1.1 Bij besluit van de Minister van Defensie van 6 oktober 2008 is aan belanghebbende eervol ontslag verleend. De Centrale Raad van Beroep heeft het ontslagbesluit bij uitspraak van 19 december 2013 herroepen en beslist dat aan belanghebbende rechtsherstel dient te worden geboden. In het kader van het rechtsherstel heeft het [A] in februari 2014 aan belanghebbende € 196.377 aan salaris nabetaald over de periode van 1 januari 2009 tot en met 19 december 2013 (hierna: de nabetaling). 2.1.2 De Inspecteur heeft de nabetaling in het jaar 2014 in de heffing van inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) betrokken. 2.2.1 Voor het Hof was in geschil of de door de Inspecteur toegepaste heffing van IB/PVV over de nabetaling juist is. Belanghebbende stelt dat de nabetaalde salarissen rentedragend zijn geworden in de zin van artikel 3.146, lid 1, Wet IB 2001 in de periode van 1 januari 2009 tot en met 19 december 2013 omdat daarover wettelijke rente is verschuldigd, en dat die salarissen daarom telkens toen zijn genoten. 2.2.2 Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur terecht ervan is uitgegaan dat de nabetaling belastbaar is in 2014 omdat deze in dat jaar door belanghebbende is ontvangen en dus in fiscale zin is genoten. Daartoe heeft het Hof overwogen dat het verschuldigd worden van wettelijke rente niet kan worden begrepen onder het begrip ‘rentedragend geworden’ van inkomsten in de zin van artikel 3.146, lid 1, Wet IB
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.