HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 19/01700 Datum 20 december 2019 ARREST in de zaak van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 19 februari 2019, nrs. 17/00586 en 19/00089, op de hoger beroepen van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nrs. HAA 17/950 en 17/2687) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2014 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en een verzoek om ambtshalve vermindering van die aanslag. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 1Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. De Advocaat-Generaal Niessen heeft op 30 september 2019 geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Hof met nr. 19/00089 en ongegrondheid van het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Hof met nr. 17/00586 (ECLI:NL:PHR:2019:974). Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd. 2Beoordeling van de middelen 2.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. 2.1.1 Belanghebbende is in 2004 ontslagen. Hij heeft in verband daarmee een civiele procedure gevoerd tegen zijn voormalige werkgever (hierna: de werkgever). Het gerechtshof Amsterdam heeft de werkgever veroordeeld tot het alsnog uitbetalen van het bruto loon over de periode van 1 maart 2004 tot 1 maart 2006, te vermeerderen met (onder meer) wettelijke rente, en het bruto loon over de periode van 1 juni 2006 tot aan de dag dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd, te verminderen met € 85.000 bruto. De werkgever heeft in 2014 aan belanghebbende in totaal € 472.380 betaald onder inhouding van € 244.380 loonheffing (hierna: de nabetaling). 2.1.2 De Inspecteur heeft de nabetaling in het jaar 2014 in de heffing van inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) betrokken. 2.2.1 Voor het Hof was onder meer in geschil of de door de Inspecteur toegepaste heffing van IB/PVV over de nabetaling juist is. Belanghebbende stelt dat de nabetaalde salarissen vóór het jaar 2014 rentedragend dan wel vorderbaar en inbaar zijn geworden in de zin van artikel 3.146, lid 1, Wet IB
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.