11 januari 2019 Nr. 17/02108 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 17 maart 2017, nr. BK-16/00343, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 15/4698) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de accijns. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 1Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. 2Beoordeling van de middelen 2.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. 2.1.1. Op 8 maart 2013 heeft de douane op locaties in [Q] en [R] in totaal 10 miljoen onverzegelde, uit Frankrijk afkomstige, sigaretten aangetroffen waarover niet overeenkomstig de Wet op de accijns (hierna: de Wet) accijns was geheven (hierna: de sigaretten). De desbetreffende locaties zijn geen accijnsgoederenplaatsen in de zin van artikel 1a, lid 1, letter b, van de Wet. 2.1.2. In verband met deze vondst is tegen onder anderen belanghebbende een strafrechtelijk onderzoek ingesteld dat ertoe heeft geleid dat belanghebbende onherroepelijk, bij vonnis van 21 januari 2015, door de Rechtbank Rotterdam is veroordeeld voor het medeplegen van het opzettelijk overtreden van het in artikel 5, lid 1, letter b, van de Wet opgenomen verbod accijnsgoederen voorhanden te hebben die niet overeenkomstig de wettelijke bepalingen in de heffing zijn betrokken. 2.1.3. Na inbeslagneming door het Openbaar Ministerie op 8 maart 2013 zijn de sigaretten op 25 maart 2013 onder ambtelijk toezicht vernietigd. 2.1.4. Vervolgens heeft de Inspecteur op 18 april 2014 op de voet van artikel 1, lid 1, aanhef en letter f, en lid 2, in samenhang gelezen met artikel 2, lid 1, letter b, en artikel 51, lid 1, letter b, van de Wet aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de accijns opgelegd wegens het buiten een accijnsschorsingsregeling voorhanden hebben van accijnsgoederen (de sigaretten) waarover geen accijns is geheven. 2.2.1. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende de onveraccijnsde sigaretten in de zin van artikel 2, lid 1, letter b, van de Wet voorhanden heeft gehad, waardoor hij als belastingplichtige in de zin van artikel 51, lid 1, letter b, van de Wet de accijns ter zake van die sigaretten verschuldigd is geworden en dat de accijns daarom terecht van hem is nageheven. Aan dat oordeel heeft het Hof ten grondslag gelegd dat uit het geheel van beschikbare gegevens, vooral die uit het overzichtsprocesverbaal van de Belastingdienst/FIOD, in samenhang en afzonderlijk bezien, blijkt dat belanghebbende over een buiten een accijnsschorsingsregeling aangetroffen hoeveelheid sigaretten (mede) zeggenschap heeft gehad, erover heeft beschikt en ook heeft kunnen weten of vermoeden dat het sigaretten betreft die niet overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het Unierecht en de Nederlandse accijnswetgeving in de heffing waren betrokken. 2.2.2. Het beroep van belanghebbende op de in artikel 71, lid 1, aanhef en letter b, van de Wet geregelde teruggaaf van accijns voor goederen die zijn vernietigd onder ambtelijk toezicht, heeft het Hof afgewezen. Volgens het Hof is teruggaaf van accijns in een geval als dit in strijd met doel en strekking van de in het geding zijnde naheffingsregeling. 2.3. De middelen 1 tot en met 9 richten zich tegen het hiervoor in 2.2.1 weergegeven oordeel van het Hof. 2.4.1. Middel 1 betoogt onder meer dat het Hof niet had mogen voorbijgaan aan het bewijsaanbod dat belanghebbende in zijn hogerberoepschrift heeft gedaan. Dit bewijsaanbod houdt in dat belanghebbende bereid is (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.