8 maart 2019 Eerste Kamer 18/02503 TT/EE Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in het incident in de zaak van: [de man] ,wonende te [woonplaats] , VERZOEKER tot cassatie, verweerder in het incident, advocaat: mr. R.K. van der Brugge, t e g e n [de vrouw] ,wonende te [woonplaats] , VERWEERSTER in cassatie, verzoekster in het incident, advocaat: mr. S. Kousedghi. Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw. 1Het geding in feitelijke instanties Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar: a. de beschikkingen in de zaak C/03/215802/FA RK 16-70 van de rechtbank Limburg van 1 juni 2016 en 18 januari 2017; b. de beschikking in de zaak 200.214.404/01 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 8 maart 2018. De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht. 2Het geding in cassatie Tegen de beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. De vrouw heeft een incidenteel verzoek gedaan tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Het cassatierekest en het verweerschrift tevens houdende het incidentele verzoek tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit. De man heeft verzocht het incidentele verzoek af te wijzen. De conclusie van de Advocaat-Generaal M.L.C.C. Lückers strekt tot afwijzing van het incidentele verzoek. 3Beoordeling van het incidentele verzoek 3.1 Het incidentele verzoek heeft betrekking op het volgende. (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.