26 maart 2019 Strafkamer nr. S 17/01726 A Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, van 16 januari 2017, nummer H-113/16, in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986. 1Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De plaatsvervangend Advocaat-Generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat betreft de opgelegde straf, tot vermindering van de opgelegde straf wegens de inbreuk op het in artikel 6, eerste lid, EVRM gegarandeerde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht, en tot verwerping van het beroep voor het overige. De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd. 2Beoordeling van het eerste middel 2.1. Het middel keert zich tegen de verwerping door het Hof van het verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging. 2.2. De plaatsvervangend Advocaat-Generaal heeft in haar conclusie onder 5 als volgt samengevat waar het in deze zaak om gaat: "De feiten en omstandigheden zijn als volgt samen te vatten. De verdachte is op 5 maart 2016 door leden van de Kustwacht voor het Koninkrijk der Nederlanden in het Caribisch gebied (hierna: de Kustwacht) op volle zee aangehouden op het schip Oceanic 1 dat onder Hondurese vlag voer. Een dag eerder lag de Oceanic 1 nog voor anker in de territoriale wateren van Aruba. De Oceanic 1 was in januari 2016 van Santo Domingo (Dominicaanse Republiek) naar Aruba gevaren en daar voor anker gegaan. Vervolgens is op 4 maart 2016 een boot afkomstig van het Paraguana Schiereiland (Venezuela) en beladen met verdovende middelen naar de Oceanic 1 gevaren en langszij gegaan terwijl de Oceanic 1 in de territoriale wateren van Aruba voor anker lag. De verdovende middelen zijn met een touw aan boord van de Oceanic 1 gebracht. Vervolgens is een andere boot bij de Oceanic 1 gearriveerd en met een kraan op de Oceanic 1 geplaatst. Nadat de Oceanic 1 op 4 maart 2016 van anker was gegaan, naar het noorden aan het varen was en zich bevond op ongeveer 40 nautische mijlen ten noordnoordwesten van de westpunt van Aruba, is aan de kapitein van de Oceanic 1 de opdracht gegeven terug te varen naar Aruba. Leden van de Kustwacht zagen vervolgens pakketjes in zee drijven en pakketten die gelijken op drugsbalen langszij de Oceanic 1 hangen, alsmede een persoon die bezig was pakketten overboord te gooien. Daarop zijn leden van de Kustwacht aan boord van de Oceanic 1 gegaan, de op dit schip aanwezige personen, waaronder de verdachte, aangehouden en 41 pakketten met in totaal ruim 1100 kilo cocaïne inbeslaggenomen." 2.3. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard: "dat hij op of omstreeks 4 maart 2016 in Aruba, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een stof als bedoeld in artikel 1, eerste lid van de Landsverordening verdovende middelen heeft uitgevoerd en heeft vervoerd en in bezit en aanwezig heeft gehad." 2.4.1. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 19 december 2016 heeft de raadsman van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, in: "Uit de ambtshandelingen van de Kustwacht is af te leiden dat op het moment dat de leden van de Kustwacht aan boord van de Oceanic gaan, de Oceanic zich buiten de 12-mijl-zone bevindt, doch wel in de EFZ (= Economic Free Zone). (...) Het betreft hier een schip dat onder de vlag van Honduras vaart. Op volle zee is in beginsel de jurisdictie van Honduras van toepassing. Uit de ambtshandelingen van de Kustwacht blijkt dat Honduras toestemming heeft gegeven om aan boord van de Oceanic te gaan. Er worden verdovende middelen op de Oceanic aangetroffen. Dat geeft Aruba niet - en Nederland ook niet - het recht om op grond van het Universaliteitsbeginsel de Oceanic en de daarop bevindende personen te vervolgen. Uitlevering naar de vlaggestaat dient hier de voorkeur te krijgen. (...) Eerbiedig verzoek ik dan ook voor mijn cliënten, [betrokkene 3] , [betrokkene 2] en [verdachte] het OM alsnog niet ontvankelijk te verklaren wegens oogmerk tot wederrechtelijkheid, althans wegens schending van goede procesorde." 2.4.2. Tot de stukken van het geding behoort onder meer een bericht van de Dutch Caribbean Coast Guard van 4 maart 2016, kort gezegd inhoudende dat deze kustwacht aan de autoriteiten van Honduras toestemming verzoekt "to stop, board and search" de Oceanic 1 en "to take all appropriate measures towards the ship, the cargo and the crew if evidence of drugs trafficking is found". Tot de stukken van het geding behoort voorts een 'Facsimile Boarding Authorization', afkomstig van de 'General Directorate of the Merchant Marine Republic of Honduras', van 4 maart 2016, inhoudende: "Based on the request that we've received, the boarding process is allowed, please keep us informed every 12 hours of the boarding progress through the Maritime Information and Verification Center, in case the results are negative and damage have been produced the requesting Government will be responsible for the damage occurred on the vessel, hull, equipment, machinery and cargo, with respect of the crew members will be treated according to Human Rights International agreements no matter their nationality and according to national regulation of the flag state." 2.4.3. Het Hof heeft het Openbaar Ministerie ontvankelijk geacht in de vervolging van de verdachte en heeft daartoe - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - het volgende overwogen: "Ontvankelijkheid openbaar ministerie De verdediging heeft in hoger beroep (...) aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard wegens een vormverzuim, bestaande uit het wederrechtelijk aanhouden en vervolgen van de verdachten. Niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie komt volgens vaste jurisprudentie slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking, namelijk alleen indien het vormverzuim daarin bestaat dat de met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren een dusdanig ernstige inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde dat daardoor doelbewust, of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Daarvan is hier naar het oordeel van het Hof geen sprake. De opsporingsambtenaren hebben vooraf toestemming gevraagd aan Honduras om het schip ter opsporing van strafbare feiten te mogen betreden en ook overigens met betrekking tot hun bevoegdheden niet in strijd met bovenstaande norm gehandeld." 2.5. Het in deze zaak aan de orde zijnde juridisch kader is weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 15, 22 en 23. Voor de beoordeling van het middel zijn in het bijzonder de volgende bepalingen van belang: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.