29 maart 2019 Eerste Kamer 18/00379 TT/ABG Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: STICHTING CLAIMSTICHTING BOUWSTATE V,gevestigd te Apeldoorn, EISERES tot cassatie, verweerster in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep, advocaat: mr. J.H.M. van Swaaij, t e g e n
- [de Voorzitter] ,wonende te [woonplaats] ,
- [de Bestuurder] ,wonende te [woonplaats] , VERWEERDERS in cassatie, eisers in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep, advocaat: mr. K. Aantjes. Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Claimstichting en [verweerders] 1Het geding in feitelijke instanties Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar: a. de vonnissen in de zaak C/17/130103/HA ZA 13-303 van de rechtbank Noord-Nederland van 18 juni 2014 en 23 december 2015; b. de arresten in de zaak 200.186.067/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 maart 2017 en 24 oktober
- Het arrest van het hof van 24 oktober 2017 is aan dit arrest gehecht. 2Het geding in cassatie Tegen het arrest van het hof van 24 oktober 2017 heeft de Claimstichting beroep in cassatie ingesteld. [verweerders] hebben voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De procesinleiding en het verweerschrift tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit. Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor de Claimstichting mede door mr. J.M. Moorman. De conclusie van de Advocaat-Generaal M.H. Wissink strekt tot verwerping van het principale cassatieberoep. De advocaat van Claimstichting heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd. De advocaat van [verweerders] heeft tegen de omvang en de inhoud van deze reactie bezwaar gemaakt. De Hoge Raad ziet in de lengte van de reactie van de advocaat van Claimstichting geen aanleiding deze buiten beschouwing te laten. [verweerders] hebben geen belang bij de overige bezwaren die zij tegen deze reactie hebben aangevoerd, gelet op hetgeen hierna onder 3 wordt overwogen. 3Beoordeling van het middel in het principale beroep De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. Nu het middel in het principale beroep faalt, komt het voorwaardelijk ingestelde incidentele beroep niet aan de orde. 4Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het principale beroep; veroordeelt de Claimstichting in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerders] begroot op € 2.049,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris. Dit arrest is gewezen door de vicepresident E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, C.E. du Perron, M.J. Kroeze en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op 29 maart 2019.