HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 18/04774 Datum 9 juni 2020 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 12 oktober 2018, nummer 23/004367-17, in de strafzaak tegen [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991, hierna: de verdachte. 1Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De advocaat-generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op artikel 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen. 2Beoordeling van het cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel klaagt dat het hof zonder motivering voor het bewijs gebruik heeft gemaakt van een schriftelijk bescheid houdende een verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt. 2.2.1 Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat: “hij op 8 juni 2016 te Amsterdam, met anderen, op de openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit het slaan in de nek van voornoemde [slachtoffer] en het in de gracht gooien van voornoemde [slachtoffer] en vervolgens het gooien van fietsen naar voornoemde [slachtoffer] terwijl deze zich nog in de gracht bevond.” 2.2.2 Deze bewezenverklaring steunt onder meer op het volgende bewijsmiddel: “1. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2016124260-9 van 8 juni 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (doorgenummerde pagina’s 18-20). Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven: Op 8 juni 2016 omstreeks 20.03 uur kregen wij een melding dat er een taxichauffeur was welke was mishandeld. Hij zou in het water geduwd zijn en daarna kreeg hij fietsen naar zich toegegooid. Dit alles was gebeurd door een drietal jongens, mogelijk van Noord-Afrikaanse afkomst. Er zou er één een staartje hebben en ze zouden trainingspakken dragen. De jongens zouden hierna in een auto van het merk Fiat zijn weggereden in de richting van de Rozengracht. De auto zou voorzien zijn van kenteken [AA-00-AA] (het hof begrijpt [AA-00-AA]).” 2.2.3 Het hof heeft voorts, voor zover van belang, het volgende overwogen: “Eén van de drie geweldplegers droeg het haar in een staartje volgens de aan de genoemde verbalisanten doorgegeven signalementen. De verdachte droeg op het moment dat de Fiat Punto werd stilgehouden zijn haar in een staartje. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft hij verklaard over zijn haardracht in de periode waarin het tenlastegelegde feit heeft plaatsgevonden. De verdachte had het haar aan de zijkant opgeschoren en op het achterhoofd was het langer. Het zou kunnen dat hij ook een staartje droeg, aldus de verdachte.” 2.2.4 Tot de stukken waarvan de Hoge Raad kennisneemt behoort het proces-verbaal van bevindingen waaraan het onder 2.2.2 genoemde bewijsmiddel is ontleend. Dit proces-verbaal houdt onder meer het volgende in: “Op woensdag 8 juni 2016 omstreeks 20:03 bevonden wij ons, verbalisanten, in uniform gekleed, met auto-surveillance belast, op de burgemeester Roellstraat te Amsterdam. Wij, verbalisanten, hoorden portofonisch dat een eenheid in de binnenstad van Amsterdam een melding kreeg van het Operationeel Centrum. De melding was dat er een taxichauffeur was welke was mishandeld. Hij zou in het water geduwd zijn en daarna kreeg hij fietsen naar zich toegegooid. Dit alles was gebeurd door een drietal jongens. Deze jongens waren mogelijk van Noord-Afrikaanse afkomst. Er zou een
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.