ECLI:NL:HR:2020:1412
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN CIVIELE KAMER Nummer 19/01892 Datum 11 september 2020 ARREST In de zaak van SLEUTELSTAD VASTGOED B.V.,gevestigd te Oegstgeest, EISERES tot cassatie, hierna: Sleutelstad, advocaten: R.P.J.L. Tjittes en P.J. Tanja, aanvankelijk ook J.W. de Jong, tegen N.V. NEDERLANDSE SPOORWEGEN, gevestigd te Utrecht, VERWEERSTER in cassatie, hierna: NS, advocaten: B.T.M. van der Wiel en L.V. van Gardingen.
Sleutelstad heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
NS heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor NS toegelicht door haar advocaten.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaten van Sleutelstad hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2Uitgangspunten en feiten 2.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. (i) Sleutelstad is een projectontwikkelaar. (ii) NS was eigenaar van een strook grond bij het station in Leiden. (Een rechtsvoorganger van) Sleutelstad had een eerste voorkeursrecht van koop voor een deel van die strook. In 1996 heeft NS de strook in strijd met het voorkeursrecht verkocht aan de gemeente Leiden. (iii) Het hof heeft in 2004 geoordeeld dat NS toerekenbaar was tekortgeschoten in de nakoming van het voorkeursrecht en heeft NS veroordeeld tot betaling van schadevergoeding, op te maken bij staat. (iv) In de schadestaatprocedure die daarop volgde (hierna: de eerste schadestaatprocedure), heeft de rechtbank NS veroordeeld tot betaling van € 432.835,76 aan gederfde ontwikkelingswinst. Dit bedrag is het verschil tussen de door een deskundige vastgestelde gederfde ontwikkelingswinst en een bedrag dat Sleutelstad als schadevergoeding van de gemeente Leiden had ontvangen. (v) Het hof heeft in de eerste schadestaatprocedure het vonnis van de rechtbank vernietigd en de vordering van Sleutelstad alsnog afgewezen. Het overwoog daartoe onder meer het volgende. Sleutelstad heeft in eerste aanleg en in hoger beroep aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij in 1996/1997 haar beoogde project op de strook zou hebben gerealiseerd. Gezien de marktomstandigheden in 1996 en 1997 is de winstpotentie niet in een concreet bedrag om te zetten. De schade kan ook niet worden geschat. Het hof hield geen rekening met het scenario van een latere realisatie, op de grond dat Sleutelstad dit niet reeds in haar memorie van grieven bij de schadebegroting had betrokken. (vi) De hiervoor onder (iii) en (v) bedoelde arresten hebben kracht van gewijsde verkregen.
2.2 Sleutelstad vordert in dit geding (hierna: de tweede schadestaatprocedure) vergoeding van ontwikkelingswinst die zij zou hebben genoten als zij in 1996 de strook zou hebben verkregen en deze op een later moment zou hebben ontwikkeld. De rechtbank heeft deze vordering afgewezen.
2.3 Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Het hof heeft daartoe onder meer het volgende overwogen: “6. (…) anders dan [Sleutelstad] betoogt, vormt een eventuele ‘tweede schadestaatprocedure’ niet een geheel met de ‘eerste schadestaatprocedure’ en de hoofdzaak. Haar stelling dat de ‘eerste schadestaatprocedure’ niet onherroepelijk wordt en dat daaraan ook geen gezag van gewijsde kan worden verbonden vindt geen steun in het recht. Dit betekent (…) dat de ‘tweede schadestaatprocedure’ wel degelijk een ander geding is ten opzichte van de ‘eerste schadestaatprocedure’. Voor alle duidelijkheid herhaalt het hof dat er in beginsel geen verschil is tussen een veroordeling tot vergoeding van de schade meteen in het hoofdgeding of later in de schadestaatprocedure. Er is dan ook geen enkele rechtvaardiging voor de stelling dat geen gezag van gewijsde zou toekomen aan een veroordeling tot schadevergoeding in een schadestaatprocedure. Het beroep van [Sleutelstad] op artikel 615a Rv faalt. (…) 7. Uit het voorgaande vloeit voort (i) dat ‘de tweede schadestaatprocedure’ een ander geding betreft tussen dezelfde partijen en (ii) er sprake is van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van 3 november 2015. Onderzocht moet thans worden of in dat arrest is geoordeeld over ‘de rechtsbetrekking in geschil’.
3Beoordeling van het middel 3.1.1 Onderdeel 1 van het middel klaagt over het oordeel van het hof (in rov. 6 en 7) dat de eerste schadestaatprocedure een ander geding is dan de tweede schadestaatprocedure en betoogt dat opeenvolgende schadestaatprocedures voor de toepassing van art. 236 Rv als één geding hebben te gelden.
3.1.2 Deze klacht faalt. Een schadestaatprocedure moet ten opzichte van een eerdere schadestaatprocedure tussen dezelfde partijen worden beschouwd als ‘een ander geding’ in de zin van art. 236 Rv. Daarom komt aan een beslissing die de rechtsbetrekking in geschil betreft en die is vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis dat is gewezen in een schadestaatprocedure, op de voet van art. 236 Rv gezag van gewijsde toe in een volgende schadestaatprocedure tussen dezelfde partijen.
3.2 De overige klachten kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4Beslissing De Hoge Raad:
Dit arrest is gewezen door de vicepresident E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren M.V. Polak, C.E. du Perron, M.J. Kroeze en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op 11 september 2020.
Gerechtshof Den Haag 10 augustus 2004, ECLI:NL:GHSGR:2004:1717.
Gerechtshof Den Haag 3 november 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:2986.
Rechtbank Den Haag 19 april 2017, ECLI:RBDHA:2017:3992.
Gerechtshof Den Haag 15 januari 2019, ECLI:GHDHA:2019:9.