HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 19/00191 Datum 18 september 2020 ARREST in de zaak van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 december 2018, nr. 18/00023, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 16/3384) betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking tot aansprakelijkstelling voor de van [A] B.V. geheven vennootschapsbelasting over het jaar 2008. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 1Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend. De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 19 juni 2019 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie. De Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd. 2Beoordeling van de middelen 2.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. 2.1.1 Belanghebbende hield tot 31 december 2008 alle aandelen in [A] B.V. (hierna: de BV). De BV heeft in 2003 haar bedrijfsactiviteiten gestaakt. In 2008 heeft zij haar onroerende zaken verkocht voor een koopsom die € 7.512.168 hoger was dan de boekwaarde ervan. Op 31 december 2008 heeft belanghebbende de aandelen in de BV verkocht en geleverd aan een derde. 2.1.2 Aan de BV is voor het jaar 2008 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een geschat belastbaar bedrag (hierna: de aanslag). De aanslag is gedagtekend 31 mei 2010. 2.1.3 De BV is op 23 juni 2011 door de Kamer van Koophandel ontbonden. Op de dag van haar ontbinding had de BV geen baten meer en is zij opgehouden te bestaan. 2.1.4 Met dagtekening 18 mei 2013 is aan de BV over het jaar 2008 een navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd (hierna: de navorderingsaanslag). 2.1.5 Bij beschikking van 6 juni 2013 heeft de Ontvanger belanghebbende op grond van artikel 40 van de Invorderingswet 1990 (hierna: de Wet) aansprakelijk gesteld voor de vennootschapsbelasting die volgens de aanslag en de navorderingsaanslag moest worden betaald maar onbetaald was gebleven. 2.2.1 Voor het Hof was onder meer in geschil of de BV ten tijde van de aansprakelijkstelling op 6 juni 2013 in gebreke was met de betaling van de navorderingsaanslag. Belanghebbende stelde dat dit niet het geval is omdat na de dagtekening van het aanslagbiljet nog geen maand was verstreken en een navorderingsaanslag volgens artikel 9, lid 2, van de Wet pas invorderbaar is na het verstrijken van die termijn van één maand. 2.2.2 Het Hof heeft geoordeeld dat de BV op 6 juni 2013 onherstelbaar in gebreke was met het betalen. 2.2.3 Het Hof heeft daartoe vastgesteld dat de navorderingsaanslag aan de BV is opgelegd nadat de BV door de Kamer van Koophandel was ontbonden en zij geen baten meer had. Verder heeft het Hof geoordeeld (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.