.1 of the Criminal Code of the Russian Federation, approved by Decree of the Government of the Russian Federation No. 923 of September 13, 2012. According to the expert’s inference No. 65/07-2018-3 of November 30, 2018, the cost of the seized down and fur half-finished product is a marten tail, brown, 30 cm long, totaling 3,453 pieces, as of January 30, 2018, amounted to 3,453,000 rubles according to the note to Art. 226.1 of the Criminal Code is a large amount of strategically important goods. Thus, [de opgeëiste persoon] made an illegal movement across the customs border of the Customs Union within the EAEU of strategically important goods, namely a down and fur half-finished product - a marten tail, in the amount of 3,453 pieces, with a total value of 3,453,000 rubles. In accordance with the Decree of the Government of the Russian Federation of September 13, 2012 No. 923 “On approving the list of strategically important goods
.1 of the Criminal Code of the Russian Federation”, the list of strategically important goods includes fur and fur raw materials (including heads, tails, paws and others parts or trimmings suitable for the manufacture of fur products) animals of the marten family: martens. In accordance with the List of species of animals and plants covered by the Convention on International Trade in Endangered Species of Wild Fauna and Flora (CITES), animals of the Kunya family are included in the list of animals covered by the Convention on International Trade in Species of Wild Fauna and Flora, Endangered (CITES).” 2.2.2 Verder is overgelegd de “resolution on bringing in as an accused” van 24 april 2019. Dit stuk houdt, voor zover hier van belang, het volgende in: “A citizen of the United States of America, [de opgeëiste persoon], committed smuggling, that is, illegal movement of strategically important goods across the customs border of the customs union within the EurAsEC, under the following circumstances: January 30, 2018 at about 03:50 a.m. on the “green corridor” of the departure lounge of terminal E of Sheremetyevo International Airport, located at the address: Moscow Region, about Khimki, Sheremetyevo Airport, was followed by US citizen [de opgeëiste persoon] , departing by flight No. [...] via the Moscow-Amsterdam route, moving one piece of hand luggage and two meta baggage with him, without having, in the established manner, not declaring the objects he is moving. During the customs inspection of two pieces of luggage and one piece of hand luggage, transported and owned by [de opgeëiste persoon] , among other things, a fur-fur semi-finished product was found and seized - a marten tail in the amount of 3,453 pieces. The seized fur-fur semi-finished product - the marten tail is included in the List of strategically important goods
.1 of the Criminal Code of the Russian Federation, approved by Decree of the Government of the Russian Federation No. 923 of September 13, 2012. According to the expert’s opinion No. 65/07-2018-3 of November 30, 2018, the cost of the seized fur-fur semi-finished product is a marten tail, brown in color, 30 cm long, with a total amount of 3,453 pieces, as of ZO.O1.2O18g. amounted to 3,453,000 rubles, which according to the note to Art. 226.1 of the Criminal Code is a large amount of strategically important goods. Thus, [de opgeëiste persoon] committed a crime under h. 1 tbsp. 226.1 of the Criminal Code - smuggling, that is, illegal movement of strategically important goods on a large scale across the customs border of the Customs Union within the EurAsEC. Based on the aforesaid and guided by Article 171 and 172, 175 of the Code of Criminal Procedure. RESOLVED: Engage a United States citizen, [de opgeëiste persoon] [geboortedatum] 1955 year of birth, a native of Moscow, as the accused in this criminal case, having charged him with a crime under Part 1 of Article 226.1 of the Criminal Code of the Russian Federation, of which he should be informed.” 2.2.3 De eveneens overgelegde “decree of the Government of the Russian Federation of September 13, 2012 N 923”, waarnaar in de hiervoor weergegeven stukken wordt verwezen, houdt onder meer het volgende in: “«On the approval of the list of strategically important goods
.1 of the Criminal Code of the Russian Federation, as well as on the determination of the types of strategically important goods and resources for which a large amount is recognized as a value exceeding 100 thousand rubles» Scroll strategically important goods
.1 of the Criminal Code of the Russian Federation (approved by the Decree of the Government of the Russian Federation of September 13, 2012 N 923) 2.2.4 De rechtbank heeft de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Russische Federatie toelaatbaar verklaard ter strafvervolging ter zake van: “Blijkens de beschikking over de opsporing van verdachte, d.d. 27 februari 2019 is uit het vooronderzoek gebleken dat de opgeëiste persoon op 30 januari 2019 omstreeks 03:50 uur het groene kanaal in de vertrekhal van terminal E van de internationale luchthaven Sjeremetjevo te Moskou passeerde. Hij was vertrekkende uit Moskou naar Amsterdam met vluchtnummer [...] en had een stuk handbagage en twee stuks ruimbagage meegenomen, waarbij hij de meegenomen voorwerpen niet bij de douane volgens de vastgestelde regels had aangegeven. Tijdens de douanecontrole van de bagage werd onder andere halffabricaat van pels en/of bont, te weten 3453 stuks marterstaart, aangetroffen en in beslag genomen.” 2.3 Met betrekking tot de op grond van artikel 2 lid 1 van het in dit geval toepasselijke Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957 (Trb. 1965, 9) vereiste dubbele strafbaarheid houdt de uitspraak van de rechtbank het volgende in: “Vastgesteld wordt dat het feit waarvoor de uitlevering wordt verzocht, blijkens de door de verzoekende Staat overgelegde stukken strafbaar is naar het recht van de verzoekende Staat en dat daarvoor naar het recht van de verzoekende Staat een vrijheidsstraf van tenminste één jaar kan worden opgelegd. Door de raadsman is ter zitting het verweer gevoerd dat geen sprake is van de vereiste dubbele strafbaarheid. De opgeëiste persoon heeft zich hoogstens schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 10:1, eerste lid, Algemene douanewet, hetgeen bestraft wordt met een geldboete. De rechtbank verwerpt dit verweer, nu het feit naar haar oordeel naar Nederlands recht oplevert: opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 3.37, eerste lid, van de Wet natuurbescherming. Ingevolge artikel 6, eerste lid, Wet economische delicten kan daarvoor eveneens een vrijheidsstraf van tenminste één jaar worden opgelegd. Daaraan voegt de rechtbank nog toe dat het vereiste van de dubbele strafbaarheid niet betekent dat de strafbepaling van de verzoekende Staat dezelfde kwalificatie moet hebben als de Nederlandse strafbepaling. Het materiële feit waarvoor de uitlevering is verzocht en dat strafbaar is naar het recht van de verzoekende Staat, moet echter wel binnen de termen van een Nederlandse strafbepaling vallen (vgl. HR 4 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0451). Daarbij is het niet van belang of de buitenlandse strafbaarstelling in alle opzichten overeenstemt met de Nederlandse. Voldoende is dat die buitenlandse strafbaarstelling in de kern bezien hetzelfde rechtsgoed beschermt als de Nederlandse strafbaarstelling. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan in deze zaak sprake. De strafbaarstelling in de verzoekende Staat strekt tot het tegengaan van het illegaal op grote schaal over de Staatsgrens brengen van onder meer bont van marterachtigen, terwijl de strafbaarstelling in Nederland ingevolge de Wet op de economische delicten en de Wet natuurbescherming strekt tot het zonder de benodigde controles en formaliteiten uitvoeren van specimen van marterachtigen. Beide strafbaarstellingen beogen daarmee - in de kern genomen - de bescherming van hetzelfde rechtsgoed, te weten de ongecontroleerde uitvoer van een beschermde diersoort. Dit betekent dat is voldaan aan de in artikel 2 EUV en artikel 5 Uitleveringsverdrag (de Hoge Raad begrijpt: Uitleveringswet) gestelde vereisten voor toelaatbaarverklaring van de verzochte uitlevering.” 2.4 Voor de beoordeling van het cassatiemiddel zijn – naast het in de conclusie van de advocaat-generaal onder 6.8 weergegeven juridisch kader – in het bijzonder de volgende bepalingen van belang. - Artikel 3.37 lid 1 van de Wet natuurbescherming: “Het is verboden in strijd te handelen met bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen.” - Artikel 3.14, aanhef en onder a, van de Regeling natuurbescherming: “Als voorschriften als bedoeld in artikel 3.37, eerste lid, van de wet worden aangewezen: a. de artikelen 4, eerste lid, eerste volzin, tweede lid, eerste volzin, derde en vierde lid, 5, eerste en vierde lid, eerste volzin, 6, derde lid, 8, eerste lid, in samenhang met het vijfde lid, en 9, eerste, vierde en vijfde lid van de CITES-basisverordening.” - Artikel 3.38 lid 1 van de Wet natuurbescherming: “Onverminderd artikel 3.37, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur ter bescherming van diersoorten of plantensoorten als bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5, 3.10, eerste lid, of ter uitvoering van EU-verordeningen of EU-richtlijnen, regels worden gesteld over het verhandelen, bezit of verwerken van aan de natuur onttrokken dieren of planten, gefokte dieren, gekweekte planten, producten van dieren of planten, of eieren van dieren, met inbegrip van dieren en planten en schimmels of micro-organismen van uitheemse soorten als bedoeld in de verordening, genoemd in artikel 3.36, onderdeel c. (...)” - Artikel 3.24 leden 2 en 3 van het Besluit natuurbescherming: “
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.