HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 19/01500 Datum 1 december 2020 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 maart 2019, nummer 21/004290-18, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980, hierna: de verdachte. 1Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.P. Snorn, advocaat te Heerenveen, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de beslissing tot onttrekking aan het verkeer van de filmcamera’s, telefoon, fototoestellen en videocamera’s en voor zover bij de schadevergoedingsmaatregelen ten behoeve van de in het arrest genoemde slachtoffers vervangende hechtenis is toegepast, tot bepaling dat ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de slachtoffers met toepassing van artikel 6:4:20 Sv telkens gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast, en tot verwerping van het beroep voor het overige. 2Beoordeling van het eerste, het tweede en het vierde cassatiemiddel De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3Beoordeling van het derde cassatiemiddel 3.1 Het cassatiemiddel klaagt over de beslissing van het hof dat een telefoon en diverse foto-, film- en videocamera’s aan het verkeer onttrokken worden verklaard. Het voert daartoe in het bijzonder aan dat “uit niets blijkt dat de telefoon en de camera’s beelden bevatten waarvan het ongecontroleerde bezit in strijd is met het algemeen belang”. 3.2.1 Ten laste van de verdachte is onder 5 bewezenverklaard dat: “hij in de periode van 15 november 2015 tot en met 8 maart 2017 te [plaats] , gebruik makende van een technisch hulpmiddel, waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar was gemaakt, telkens opzettelijk en wederrechtelijk van personen, te weten - [benadeelde 2] , en - [benadeelde 3] , en - [benadeelde 1] die telkens aanwezig waren in een woning gelegen aan de [a-straat 1] aldaar, (een) afbeelding(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.