HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 19/04881 Datum 8 december 2020 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 18 oktober 2019, nummer 20/000086-17, in de strafzaak tegen [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, hierna: de verdachte. 1Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.A.J. Verploegh, advocaat te ’s-Gravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 2Beoordeling van het eerste cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel klaagt over de verwerping door het hof van het verweer dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van de verdachte wegens schending van het Tallon-criterium. 2.2.1 Overeenkomstig de tenlastelegging is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat: “hij, op 8 april 2005 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen, te weten: [betrokkene 2] en [medeverdachte 2] en [betrokkene 3] en [medeverdachte 1] en [betrokkene 1] en [betrokkene 4], 118, bankbiljetten ter waarde van elk 500 euro (in totaal 59.000 euro), waarvan de valsheid verdachte en zijn medeverdachten, toen zij die bankbiljetten ontvingen, bekend was, met het oogmerk om die bankbiljetten als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad heeft gehad en zich heeft verschaft.” 2.2.2 Het hof heeft het verweer waarop het cassatiemiddel doelt, als volgt samengevat en verworpen: “De verdediging heeft primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging. Zij heeft daartoe - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. De CIE heeft langere tijd gebruik gemaakt van een betaalde informant die onder haar regie aan [betrokkene 1] heeft gevraagd om de levering van vals geld. [betrokkene 1] en [verdachte] zijn door deze informant gebracht tot het plegen van strafbare feiten die zij anders niet zouden hebben gepleegd. Hierdoor is het Tallon-criterium geschonden. Er is daarom sprake van met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren die een ernstige inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan, aldus de verdediging. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. (...) Voor de beoordeling van het verweer gaat het hof uit van de navolgende feiten en omstandigheden. a. Volgens een bericht van de CIE zou op 8 april 2005 tussen 13.30 en 14.30 uur bij het Shell-tankstation in de buurt van de nieuwe woonwijk Zeeburg te Amsterdam een overdracht plaatsvinden van een grotere partij valse eurobiljetten. Naar aanleiding van die informatie werd een observatie- en een arrestatieteam geformeerd. Dit laatste team arresteerde op 8 april 2005 bij dat tankstation vijf personen, te weten [betrokkene 1], [medeverdachte 1], [betrokkene 2], [medeverdachte 2] en [betrokkene 3]. In één van de voertuigen werd een partij van € 59.000,- aan valse 500 euro-biljetten aangetroffen. Een aantal weken later werd [verdachte] (verdachte) aangehouden en op 13 september 2005 [betrokkene 4]. b. Op 9 april 2005 verklaarde [betrokkene 1] bij de politie dat hij ongeveer twee weken daarvoor door [betrokkene 4] was benaderd. [betrokkene 4] had hem gevraagd of hij mensen wist die kopietjes van euro’s konden leveren. [betrokkene 1] had daarop geantwoord dat hij in zijn omgeving gezocht had en dat hij was terechtgekomen bij [verdachte]. Deze [verdachte] had hem in contact gebracht met [medeverdachte 1]. [betrokkene 1] zou er voor zorgen dat deze [betrokkene 2] en [betrokkene 4] elkaar op 8 april 2005 om 13.00 uur bij het (hiervoor genoemde) benzinestation zouden ontmoeten. c. Op 12 juli 2005 verklaarde [betrokkene 1] bij de politie dat hij bij de zaak betrokken was geraakt door [betrokkene 4]. [betrokkene 4] had hem in december 2004 of januari 2005 al gevraagd of hij aan vals geld kon komen. [betrokkene 4] bleef [betrokkene 1] daarom vragen. Via [verdachte] heeft hij [medeverdachte 1] leren kennen, waarna hij een afspraak heeft geregeld tussen [betrokkene 4] en die [betrokkene 2]. [betrokkene 4] zou € 80.000,- aan valse bankbiljetten kopen voor 35% van de nominale waarde. [betrokkene 1] had aan [betrokkene 4] een proefbiljet overhandigd. Na de overhandiging van dat proefbiljet belde [betrokkene 4] dat hij geleverd wilde hebben. [betrokkene 1] zou voor zijn bemiddeling een percentage van [betrokkene 4] ontvangen. Het initiatief was van [betrokkene 4] uitgegaan. [betrokkene 1] heeft met [betrokkene 4] de afspraak gemaakt om elkaar op vrijdag 8 april 2005 bij het tankstation te ontmoeten. d. [medeverdachte 1] heeft op 9 april 2005 verklaard dat hij door [verdachte] was benaderd met de vraag of hij Bulgaren kende die in vals geld handelden. Een kennis van hem had vrienden die in vals geld handelden en via die kennis kreeg hij het telefoonnummer van [betrokkene 2]. [betrokkene 2] vertelde aan hem, [medeverdachte 1], dat hij valse euro's kon leveren voor 35% van de nominale waarde. [medeverdachte 1] heeft op verzoek van [betrokkene 1] geregeld dat [betrokkene 2] naar Amsterdam zou komen. Bij het tankstation was [betrokkene 2] met nog twee andere personen (hof: [medeverdachte 2] en [betrokkene 3]). e. Reeds kort na zijn aanhouding op 13 september 2005 heeft [betrokkene 4] verklaard over zijn rol in deze kwestie. Op 13 september 2005 verklaarde hij dat hij [betrokkene 1] had gevraagd een (vals) proefbiljet van € 500,- te leveren. Bij de levering deelde [betrokkene 1] mee dat er een partij van € 80.000,- aan valse biljetten beschikbaar was. [betrokkene 4] zou tegen [betrokkene 1] hebben gezegd dat hij mogelijk belangstelling had. [betrokkene 4] hield een slag om de arm, omdat het doorgaan van de transactie afhing van wat de CIE hiermee wilde. [betrokkene 4] had de CIE-man verteld dat hij een afspraak kon maken waarbij € 80.000,- aan valse euro's aan hem geleverd kon worden. [betrokkene 4] heeft afspraken gemaakt over het tijdstip en moment van levering, waarna hij de CIE meedeelde dat de valse biljetten van de straat gehaald konden worden. De CIE ging daarmee akkoord. [betrokkene 4] zou op 7 april 2005 telefonisch contact met de CIE hebben gehad. De CIE zou volgens hem hebben gevraagd of hij voor elkaar zou kunnen krijgen dat de € 80.000,- aan valse euro's daadwerkelijk geleverd konden worden. De CIE zou dan een 'plan de campagne' maken om in te grijpen. [betrokkene 4] heeft tenslotte verklaard dat hij na de actie van 8 april 2005 van de CIE € 1.750,- heeft ontvangen. f. De CIE-man met wie [betrokkene 4] op en vóór 8 april 2005 contact had, de zogenoemde runner, wordt 'de Oudste' genoemd. De Oudste heeft in de loop van deze procedure verschillende verklaringen afgelegd en heeft volgehouden dat hij niet wist dat [betrokkene 4] een initiërende en centrale rol had gespeeld bij de levering van de valse 500 euro-biljetten. g. [betrokkene 4] is in 2004 en 2005 als burgerinformant in twee verschillende rayons in meerdere zaken tegen betaling voor de CIE werkzaam geweest. Hij stond bij die dienst bekend als een initiatiefrijke, 'pro-actieve' en ervaren informant. h. Op 6 april 2005 informeerde [betrokkene 4] zijn CIE-runner 'de Oudste' tussen 14.45 en 14.50 uur telefonisch over een partij van € 80.000,- aan valse 500 euro-biljetten, waarmee 'iemand rond rijdt' en het feit dat hij zelf in bezit is van een vals 500 euro-biljet en 'een gedeelte' weet van 'de identiteit'. i. De door 'de Oudste' en [betrokkene 4] met betrekking tot het valse 500 euro-biljet gegeven verklaringen lopen uiteen over de inhoud van het advies c.q. de opdracht van de runner aan de informant met betrekking tot het valse biljet, maar komen in essentie hierin overeen dat [betrokkene 4] zich zo spoedig mogelijk ('als de weerga') van het valse biljet moest ontdoen. j. Het CIE-journaal van 6 april 2005 bevat in zeven regels een weergave van het contact tussen runner en informant en eindigt met de woorden 'Gezegd hierop terug te komen'. Het bevat geen specifieke vragen, nadere afspraken of opmerkingen van de runner over het feit dat [betrokkene 4] in het bezit was van een vals 500 euro-biljet, over de wijze waarop hij in het bezit daarvan was gekomen en zijn wetenschap over en/of betrokkenheid bij de partij van € 80.000,- aan valse euro's. k. Over de vraag of en hoe hierop later nog is teruggekomen en over de frequentie van het contact tussen de CIE-runner en zijn informant over deze kwestie verschillen de verklaringen van beiden aanzienlijk. [betrokkene 4] verklaart dat tussen 6 april 14.50 uur en 8 april 2005 te 11.05 uur een aantal telefonische contacten tussen hen beiden hebben plaatsgevonden, terwijl 'de Oudste’ verklaart dat er in die periode geen contact (meer) is geweest. l. In strijd met de binnen de CIE geldende regels ter waarborging van een rechtmatige gang van zaken en een adequate controleerbaarheid is [betrokkene 4] met betrekking tot zijn inzet niet gerund door een koppel van twee runners, maar solo door 'de Oudste'. m. Volgens het CIE-journaal van die dag lichtte [betrokkene 4] zijn runner op 8 april 2005 om 11.05 uur telefonisch in over een overdracht van een partij vals geld van € 80.000,- op diezelfde dag om 13.45 uur bij een tankstation bij de Zeeburgerdijk te Amsterdam, waarbij een zekere '[betrokkene 5]' en een blauwe Opel Vectra, waarin zich het valse geld zou bevinden, zouden zijn betrokken. n. De verklaringen van de runner en zijn informant lopen uiteen over het tijdstip van de overdracht, in het bijzonder over het verzetten/verlaten van dat tijdstip om voldoende tijd en gelegenheid te hebben voor het treffen van politiële maatregelen rond de overdracht van de partij vals geld en het ingrijpen daarbij door de politie. o. Het journaal van de runner van 8 april 2005 bevat voorts de strofe: 'Op mijn vraag wat de rol van info (naar het hof begrijpt: informant) is antwoordde hij hier geen enkele rol in te spelen, en de opmerking van informant geen enkel gevaar te duchten te hebben, gevraagd naar zijn afscherming. p. Op basis van deze informatie werd door [verbalisant 1], die de coach was van runner 'de Oudste' en die tevens fungerend chef van de CIE was, en met wie op 8 april 2005 telefonisch voor het eerst over deze zaak was gesproken, 'er op geïnvesteerd', een proces-verbaal opgemaakt en per fax verzonden aan de CIE van de afdeling Nationale Recherche Randstad Noord. q. Volgens hetzelfde dag-journaal lichtte [betrokkene 4] zijn runner 'de Oudste' om 14.15 uur telefonisch in - na een daaraan voorafgegaan SMS-bericht van [betrokkene 4] - dat hij gebeld werd ‘dat men er al 45 minuten staat en dat er niemand is, dat de kopers de zaak niet vertrouwd hebben en door zijn gereden'. r. Een (observatie)team van de politie, dat na het onder p. genoemde proces-verbaal van [verbalisant 1] op de hoogte is gesteld van de vermoedelijke overdracht van een partij vals geld, observeerde diezelfde middag de ontmoeting bij bedoeld tankstation, waarbij [betrokkene 4] niet aanwezig was, hield de verdachten aan, doorzocht de betrokken voertuigen en nam een partij van € 59.000.- aan valse biljetten van € 500,- in beslag. s. In het CIE-journaal van 8 april 2005 is vermeld dat [betrokkene 4] is gevraagd naar zijn rol en afscherming in deze zaak. Voorts is in dit journaal vermeld (mutatie 11.12 uur) dat na het telefoongesprek van 14.15 uur (?) informant 'kennelijk meer er bij betrokken' is dan in het eerste gesprek werd gesuggereerd, waarop evenwel niet meer is teruggekomen in het gesprek dat op de avond van 8 april 2005 tussen [verbalisant 1], [betrokkene 4] en 'de Oudste' plaatsvond. In elk geval blijkt daarvan niet uit het journaal. t. [betrokkene 4] is vervolgens in de periode van april tot september 2005 ongewijzigd als informant voor de CIE werkzaam geweest, tot het moment van zijn aanhouding medio september 2005 in deze zaak op verdenking van betrokkenheid bij de handel in vals geld. u. Het openbaar ministerie heeft de verdachten en de overige procesdeelnemers, onder wie ook de rechters van de rechtbank die over de vrijheidsbeneming van de verdachten te beslissen hadden, in dat stadium van de strafrechtelijke procedure niet ingelicht over deze aan de aanhoudingen voorafgegane, met bijstand van een burgerinformant ondernomen, opsporingsactiviteiten noch anderszins in het strafdossier verslag gedaan van de in nauw overleg tussen de runner en de informant bepaalde gedragslijn die leidde tot de onderschepping van de partij vals geld, de aanhouding van verdachte en medeverdachten en tot het daarop gevolgde strafrechtelijk onderzoek. v. Pas maanden na de aanhouding van de verdachte(n), maar vóór de inhoudelijke behandeling van de zaak in eerste aanleg, is dankzij de proceshouding van [betrokkene 4] de in deze zaak gevolgde bijzondere opsporingsmethode bekend geworden aan (mede)verdachte(n) en hun raadslieden. De aangehouden verdachten zaten in dat stadium van de strafprocedure allemaal in voorlopige hechtenis. Het hof overweegt voorts het volgende. In de zaak van medeverdachte [betrokkene 1] heeft het gerechtshof 's-Gravenhage bij arrest van 25 juni 2007 (ECLI:NL:GHSGR:2007:BA8171) onder meer het volgende geoordeeld: ‘Verdachte is niet eerder met justitie in aanraking geweest in verband met de delicten inzake de handel en gebruik van vals geld. Er zijn geen aanwijzingen dat de verdachte de strafbare feiten zou hebben gepleegd als [betrokkene 4] (die optrad als informant voor de CIE) hem daartoe niet had overgehaald. Onder andere het feit dat [betrokkene 4] door de overheid kreeg betaald voor het verstrekken van informatie over strafbare feiten heeft hem er kennelijk toe gebracht verdachte over te halen om te bemiddelen bij de vals geld transactie. [betrokkene 4] heeft kunnen handelen zoals hij gehandeld heeft, omdat het toezicht van de CIE faalde. Het hof is daarom van oordeel dat de verdachte als gevolg van aan de overheid toe te rekenen omstandigheden is gebracht tot andere strafbare feiten dan waarop zijn opzet was gericht en dat alleen al om die reden geen veroordeling kan volgen.’ Het tegen dit arrest ingestelde beroep in cassatie is verworpen (zie HR 29 juni 2010 ECLI:NL:HR:2010:BL0655). Het hof gaat er daarom van uit dat tegen medeverdachte [betrokkene 1] sprake is geweest van schending van het Tallon-criterium, in die zin dat CIE-informant [betrokkene 4], die kan worden aangemerkt als een persoon voor wiens handelen de politie of het openbaar ministerie verantwoordelijk is, [betrokkene 1] heeft gebracht tot het begaan van de strafbare feiten waarvoor hij is vervolgd. Dat [betrokkene 4] dat op eigen initiatief heeft gedaan en niet in opdracht van de politie of het openbaar ministerie doet daar niet aan af. Dat het Tallon-criterium jegens [betrokkene 1] is geschonden, betekent echter niet dat dat ook jegens verdachte het geval is. Uit de hiervoor onder a. tot en met v. weergegeven feiten en omstandigheden blijkt dat [betrokkene 4] medeverdachte [betrokkene 1] heeft benaderd met de vraag of hij mensen wist die kopietjes van euro's konden leveren. [betrokkene 1] heeft op zijn beurt, uit eigen beweging, contact gezocht met verdachte en verdachte heeft [medeverdachte 1] benaderd met de vraag of hij Bulgaren kende die in vals geld handelde. [medeverdachte 1] heeft vervolgens via een kennis contact gezocht met [betrokkene 2], die valse euro's kon leveren. Verdachte heeft (in dit stadium) dus geen direct contact gehad met CIE-informant [betrokkene 4]. Verdachte is dan ook niet door een opsporingsambtenaar dan wel een persoon voor wiens handelen de politie of het openbaar ministerie verantwoordelijk is, gebracht tot het begaan van de strafbare feiten waarvoor hij wordt vervolgd. Het zogenoemde Tallon-criterium is ten aanzien van verdachte derhalve niet geschonden. Het verweer tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wordt derhalve verworpen.” 2.2.3 Het hof heeft - voor zover voor de beoordeling van het cassatiemiddel van belang - voorts het volgende vastgesteld in de bewijsmiddelen waarop de bewezenverklaring steunt. “
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.