HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 17/01695bis Datum 18 december 2020 ARREST in de zaak van de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN tegen EXTER B.V. te Zaanstad (hierna: belanghebbende) op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 21 februari 2017, nrs. 16/00167 tot en met 16/00174, na beantwoording van de door de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gestelde vraag. 1De loop van het geding in cassatie tot dusver Voor een overzicht van het geding in cassatie tot aan het door de Hoge Raad in dit geding gewezen arrest van 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:631, wordt verwezen naar dat arrest, waarbij de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft verzocht een prejudiciële beslissing te geven over de in dat arrest geformuleerde vraag. Bij arrest van 8 oktober 2020, Exter B.V., C-330/19, ECLI:EU:C:2020:809, heeft het Hof van Justitie, uitspraak doende op die vraag, voor recht verklaard: “Artikel 121, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de toepassing van een tot een verlaagd douanerecht leidende preferentiële tariefmaatregel die gold op het tijdstip waarop de aangifte tot plaatsing van goederen onder de regeling actieve veredeling werd aanvaard, maar die was geschorst op het tijdstip waarop de aangifte tot het in het vrije verkeer brengen van die goederen werd aanvaard.” Partijen zijn in de gelegenheid gesteld te reageren op dit arrest. De Staatssecretaris heeft schriftelijk gereageerd. 2Nadere beoordeling van het middel 2.1 Volgens artikel 121, lid 1, van het Communautair douanewetboek (hierna: het CDW) wordt, onder voorbehoud van artikel 122 van het CDW, bij het ontstaan van een douaneschuld voor invoergoederen of veredelingsproducten het bedrag van die schuld vastgesteld aan de hand van de heffingsgrondslagen geldend voor de invoergoederen op het tijdstip waarop de aangifte tot plaatsing van deze goederen onder de regeling actieve veredeling is aanvaard. 2.2 Het Hof heeft vastgesteld dat belanghebbende op het moment van plaatsing van de invoergoederen onder de regeling actieve veredeling voldeed aan alle voorwaarden om – zo zij die goederen op dat moment voor het vrije verkeer zou hebben aangegeven en om toepassing van de desbetreffende tariefpreferentie zou hebben verzocht – in aanmerking te komen voor toepassing van het preferentiële tarief. In dat geval is de Inspecteur naar het oordeel van het Hof gehouden het preferentiële tarief toe te passen bij de berekening van de douaneschulden die voortvloeiden uit de aangiften voor het vrije verkeer, ook al was die tariefpreferentie inmiddels geschorst. 2.3 In de hiervoor in 2.2 weergegeven oordelen van het Hof ligt besloten het oordeel dat de in artikel 121, lid 1, van het CDW bedoelde heffingsgrondslagen mede de normale en preferentiële tarieven omvatten. Uit punt 32 van het arrest van het Hof van Justitie volgt dat dit oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Het begrip heffingsgrondslagen in de zin van artikel 121, lid 1, van het CDW omvat niet de normale en preferentiële douanetarieven. Dit brengt mee dat bij het in het vrije verkeer brengen van onder de regeling actieve veredeling geplaatste goederen een preferentiële tariefmaatregel die ten tijde van plaatsing onder die douaneregeling gold maar daarna is geschorst, niet alsnog kan worden toegepast. Het middel slaagt in zoverre. 2.4 Gelet op hetgeen hiervoor in 2.3 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. Het middel behoeft voor het overige geen behandeling. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De tegen de uitspraken van de Inspecteur ingestelde beroepen moeten ongegrond worden verklaard. 3Proceskosten De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. 4Beslissing De Hoge Raad:- verklaart het beroep in cassatie gegrond,- vernietigt de uitspraak van het Hof en de uitspraak van de Rechtbank, en - verklaart de tegen de uitspraken van de Inspecteur ingestelde beroepen ongegrond. Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, de vice-president M.E. van Hilten, en de raadsheren E.N. Punt, L.F. van Kalmthout en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2020.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.