HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 18/00885 Datum 14 februari 2020 ARREST in de zaak van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 19 januari 2018, nrs. 16/03629 tot en met 16/03638, op het hoger beroep van belanghebbende tegen de in één geschrift verenigde uitspraken van de Rechtbank Zeeland‑West-Brabant (nrs. BRE 14/6916 tot en met BRE 14/6925) betreffende de aan belanghebbende over de jaren 2008 tot en met 2011 opgelegde (navorderings)aanslagen in de inkomstenbelastingbelasting/premie volksverzekeringen en in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet, de daarbij gegeven boetebeschikkingen, en de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen in de omzetbelasting over de periode 1 januari 2008 tot en met 31 december 2012. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 1Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. 2Uitgangspunten in cassatie 2.1 Belanghebbende verricht sinds 1 juni 2008 als distributeur activiteiten voor een besloten vennootschap (hierna: de BV) die haar verkoopactiviteiten heeft ingericht volgens het zogenoemde multi-level marketingmodel. Dit is een bedrijfsmodel waarbij diensten en/of producten worden verkocht door middel van een gelaagd systeem van zelfstandige distributeurs. 2.2 De multi-level marketingorganisatie van de BV werkt als volgt. 2.2.1 De BV verkoopt haar producten uitsluitend aan door haar aangestelde distributeurs (hierna: de distributeurs), tegen een door haar vastgestelde distributeursprijs. De distributeurs verkopen die producten tegen door hen vastgestelde prijzen aan zogenoemde inkoopklanten. De distributeurs kunnen daarnaast van de BV provisies ontvangen. De hoogte van die provisies wordt bepaald volgens een puntenstelsel. 2.2.2 Wanneer een distributeur (op het eerste niveau) een nieuwe distributeur voor de BV als subdistributeur (op het tweede niveau) werft en inschrijft voor zijn team, verkrijgt hij zogenoemde directe punten. Het aantal directe punten neemt toe naarmate de distributeur meer inkoopklanten inschrijft, subdistributeurs (op het tweede niveau) voor zijn team inschrijft, en naarmate hij erin slaagt om zijn inkoopklanten meer producten te doen afnemen en de subdistributeurs binnen zijn team meer producten te doen afzetten. 2.2.3 Naast directe punten kan een distributeur op het eerste niveau zogenoemde indirecte punten verkrijgen wanneer een subdistributeur van zijn team een of meer nieuwe distributeurs voor de BV werft. Die subdistributeur gaat dan met de door hem nieuw ingeschreven distributeurs (dus subdistributeurs op het derde niveau) een eigen team vormen dat wordt aangemerkt als een subteam van de distributeur op het eerste niveau. Het aantal indirecte punten voor de distributeur op het eerste niveau neemt toe naarmate de subdistributeurs op het tweede niveau meer inkoopklanten aan zich binden en meer subdistributeurs op het derde niveau inschrijven, de inkoopklanten van de subdistributeurs op het derde niveau meer producten afnemen, die subdistributeurs meer producten afzetten, en/of die subdistributeurs op hun beurt weer een eigen team van subdistributeurs (dus op het vierde of een volgend niveau) weten te vormen dat volgens hetzelfde organisatiemodel producten van de BV gaat verkopen. 2.2.4 Om voor een provisie in aanmerking te komen, moet een distributeur in de desbetreffende maand zelf van de BV producten aankopen die staan voor ten minste 34,42 punten. Om distributeur van de BV te kunnen blijven, moet hij per jaar ten minste 104 (directe en/of indirecte) punten behalen. 2.3 Belanghebbende was op basis van een met de BV gesloten overeenkomst in de onderhavige jaren (2008 tot en met 2012) werkzaam als zelfstandig distributeur. Zij heeft met de aan- en verkoop van producten van de BV positieve resultaten behaald. Verder heeft zij van de BV provisies ontvangen op basis van de in die jaren met haar distributienetwerk behaalde directe en indirecte punten. 2.4 Belanghebbende heeft de Inspecteur bij brief van 16 april 2010 meegedeeld dat zij haar werkzaamheden als zelfstandig distributeur voor de BV niet aanmerkt als een bron van inkomen en dat zij daarom de met die werkzaamheden behaalde resultaten niet zal opnemen in haar aangiften voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV). In reactie daarop heeft de Inspecteur haar bij brief van 4 juni 2010 bericht dat niet per definitie kan worden aangenomen dat de door haar verrichte werkzaamheden niet een bron van inkomen zijn, maar dat dit per individueel geval moet worden bekeken. Hij heeft belanghebbende de gelegenheid geboden een cijfermatig overzicht over te leggen zodat zij zekerheid kon krijgen over de vraag of sprake is van een bron. Van deze gelegenheid heeft belanghebbende geen gebruik gemaakt. 2.5 Belanghebbende heeft de door haar behaalde resultaten als distributeur van de BV niet opgenomen in haar aangiften voor de IB/PVV voor de desbetreffende jaren. Vanaf 1 januari 2009 is belanghebbende als ondernemer in de zin van de omzetbelasting geregistreerd en heeft zij ter zake van de door haar geleverde producten omzetbelasting op aangifte voldaan. 2.6 De Inspecteur heeft het standpunt ingenomen dat de hiervoor in 2.3 bedoelde resultaten en provisies als winst uit onderneming belastbaar zijn voor de heffing van IB/PVV. Verder heeft hij het standpunt ingenomen dat belanghebbende niet alleen omzetbelasting is verschuldigd over de vergoedingen die zij ter zake van geleverde producten heeft ontvangen, maar ook over de provisies die zij vanaf 2008 heeft ontvangen van de BV. Op die gronden heeft hij de onderhavige belastingaanslagen opgelegd. Voor zover het de aanslagen in de IB/PVV betreft, heeft hij daarbij tevens vergrijpboeten opgelegd op grond van de artikelen 67d AWR (jaren 2010 en 2011) en 67e AWR (jaren 2008 en 2009). 2.7 Bij het Hof was specifiek in geschil of de Inspecteur de provisies die belanghebbende door het behalen van punten van de BV heeft ontvangen, terecht heeft betrokken in de heffing van IB/PVV en omzetbelasting. Tussen partijen was niet in geschil dat ter zake van de verkoop van producten van de BV sprake is van een bron van inkomen voor belanghebbende en dat de opbrengsten daarvan daarom belast zijn voor de IB/PVV. Evenmin was in geschil dat de door belanghebbende verrichte leveringen van producten van de BV zijn belast met omzetbelasting. 2.8 Wat betreft de (navorderings)aanslagen in de IB/PVV heeft het Hof geoordeeld dat de activiteiten die belanghebbende verricht als distributeur van de BV moeten worden aangemerkt als een bron van inkomen. Het Hof heeft daarbij de aankoop- en verkoopactiviteiten van belanghebbende en haar (distributie)netwerkactiviteiten tezamen beoordeeld. Het heeft aan zijn oordeel ten grondslag gelegd dat belanghebbende met de aankoop- en verkoopactiviteiten en met de netwerkactiviteiten heeft beoogd voordeel te behalen, dat dit voordeel ook redelijkerwijs kon worden verwacht, en dat dit voordeel is gerealiseerd door deelname aan het economische verkeer. Hierbij heeft het Hof in aanmerking genomen (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.