HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 17/05571 A Datum 3 maart 2020 ARREST op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, van 23 november 2017, nummer H-49/2016, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983, hierna: de verdachte. 1Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft C. Reijntjes-Wendenburg, advocaat te Maastricht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De plaatsvervangend advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering van deze straf, en tot verwerping van het beroep voor het overige. 2Beoordeling van het tweede cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel klaagt over de verwerping van het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting. Daartoe voert het aan dat camerabeelden zijn verkregen zonder dat is voldaan aan het op straffe van nietigheid gegeven voorschrift van artikel 177s van het Wetboek van Strafvordering van Sint Maarten (hierna: SvSM) en dat het hof die normschending ten onrechte heeft beoordeeld aan de hand van artikel 413 SvSM. 2.2.1 De verdachte is ter zake van - kort gezegd - het onder invloed van alcoholhoudende drank aan het verkeer deelnemen en zich daarbij zodanig gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval plaatsvindt waardoor een ander wordt gedood onder meer veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 36 maanden. 2.2.2 Het hof heeft het in het cassatiemiddel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen: “camerabeelden Door de verdediging is een beroep gedaan op bewijsuitsluiting van onderzoeksresultaten. Aangevoerd is dat de vordering tot het verstrekken van gegevens van [B] op grond van artikel 177s Sv van 5 mei 2015 nietig is, omdat de mondeling gegeven vordering niet conform lid 5 van dat artikel binnen drie dagen op papier is gezet en dat de op grond van die vordering verkregen camerabeelden van de bewakingscamera’s van [B] daarom zoals direct uit de BOB-wetgeving volgt - niet voor het bewijs mogen worden gebruikt. Het verweer met betrekking tot de verkrijging van de camerabeelden van de bewakingscamera’s van [B] en de daarop gebaseerde onderzoeksresultaten kan niet slagen aangezien deze niet voor het bewijs worden gebezigd. Het Hof begrijpt dat de verdediging heeft bedoeld dit verweer ook te voeren ten aanzien van de camerabeelden van [C] , [D] en [A] . Daarvoor geldt het volgende. Uit het proces-verbaal van relaas van 1 juni 2015 blijkt dat de verbalisanten bij de officier van justitie vorderingen tot afgifte van camerabeelden door de genoemde bedrijven hebben aangevraagd en dat die vorderingen zijn verkregen. Uit de schriftelijke vorderingen die zijn gericht aan [C] en [D] , beide gedateerd 21 april 2015, blijkt niet dat de officier van justitie op een eerder moment mondeling de vordering tot afgifte van de camerabeelden heeft gegeven. Ook overigens blijkt uit het dossier niet van een mondelinge vordering gericht aan die bedrijven. Door de verdediging is daarover niets aangevoerd. Ten aanzien van [C] en [D] is van een overschrijding van de in artikel 177s lid 5 Sv bedoelde termijn dus geen sprake. De schriftelijke vordering gericht aan [A] is eveneens gedateerd 21 april 2015. Uit dit stuk blijkt wel dat de vordering eerder mondeling is verstrekt en wel op (donderdag) 16 april 2015, de dag van het ongeluk. Mede gelet op artikel 3 lid 2 Sv diende deze vordering uiterlijk op maandag 20 april 2015 op schrift te zijn gesteld. Dit betekent dat deze vordering een dag te laat op schrift is gesteld. Anders dan de verdediging heeft bepleit, volgt uit het bepaalde in artikel 177s lid 5 Sv niet dat dit in alle gevallen leidt tot bewijsuitsluiting. Blijkens de parlementaire geschiedenis heeft de wetgever bij de invoering van deze bepaling de sanctie van nietigheid als volgt toegelicht: ‘Omdat het gaat om diep ingrijpende bevoegdheden en voor de procesvoering wezenlijke normen mag ervan worden uitgegaan dat de rechter die resultaten niet voor het bewijs van het strafbare feit zal toelaten indien de beslissingen daarover niet (binnen drie dagen) schriftelijk zijn genomen of op papier gezet.’ Verdere relevante toelichting van de wetgever ontbreekt. Het is niet goed voorstelbaar dat de wetgever heeft bedoeld dat schending van dit vormvoorschrift, zelfs in zijn lichtste variant en (dus) in alle gevallen moet leiden tot bewijsuitsluiting. Die lichtst denkbare variant doet zich hier voor: het gaat om overschrijding van de termijn met één dag ten aanzien van de schriftelijke vastlegging van een door de daartoe bevoegde persoon mondeling gedane vordering, die, in aanmerking genomen dat het gaat om beelden van de door verdachte bestuurde auto op de openbare weg, geen inbreuk maakt op het door artikel 177s Sv beschermde belang, namelijk het privéleven van degenen die op de beelden voorkomen. Een redelijke wetsuitleg brengt mee dat deze lichtste variant van schending van het voorschrift van artikel 177s lid 5 Sv moet worden getoetst aan de criteria van artikel 413 lid 5 Sv. Door de verdediging is niet gesteld dat en in welke mate haar belangen door schending van dit vormvoorschrift zijn geschaad. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de aard en de ernst van de normschending en over het door artikel 177s beschermde belang, valt ook overigens niet goed in te zien in welke in rechte te beschermen belang de verdachte is geraakt. De conclusie is dan ook dat het vormverzuim geen aanzienlijke schending van een strafvorderlijk voorschrift oplevert en dat de verdachte niet in zijn belangen is geschaad, zodat kan worden volstaan met de constatering van de normschending. Het verweer wordt verworpen.” 2.2.3 Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich onder meer:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.